RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/239163-25 Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/032393-25 en 13/378212-24
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
ter terechtzitting opgegeven postadres:
[adres] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. de Bruijn, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Y. Finani, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [aangever/benadeelde partij 3] en de Stichting [stichting] . Tot slot hebben de deskundigen [psycholoog] (psycholoog), [psychiater] (psychiater) en [reclasseringswerkster] (reclasseringswerkster) vragen van de verdediging, de officier van justitie en de rechtbank beantwoord.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [aangever 1] en [aangever 2] in de periode van 9 augustus 2025 tot en met 24 augustus 2025;
feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [aangever/benadeelde partij 3] en [aangever 3] in de periode van 14 juli 2025 tot en met 12 augustus 2025;
feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [aangever 4] , [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [aangever 5] en [aangever 6] in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 22 augustus 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Verwerping van de preliminaire verweren van verdachte
Verdachte heeft voorafgaand aan de terechtzitting van 22 september 2026 via zijn raadsvrouw schriftelijk preliminaire verweren ingediend. Samengevat weergegeven, heeft verdachte aangevoerd dat zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is geschonden en dat sprake is van meerdere vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Als gevolg hiervan moet volgens verdachte het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging.
De rechtbank zal deze gevoerde verweren gezamenlijk bespreken. Zij overweegt hierover het volgende.
Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op grond van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek is een in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voorzien rechtsgevolg dat, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Vereist is dat het vormverzuim bestaat uit een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort is gedaan. Bij de beoordeling of aan een geconstateerd vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden, dienen voorts de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren in aanmerking te worden genomen, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. De strekking van deze maatstaf is dat het moet gaan om een zodanig ernstige inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen verdachte heeft aangevoerd niet volgt dat sprake is geweest van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, zodat om die reden niet wordt toegekomen aan een in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde beoordeling.
Ook voor zover de verweren rechtstreeks zien op een schending van artikel 6 EVRM, leiden deze evenmin tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Bij de beoordeling of het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd, dient de procedure als geheel te worden beschouwd. Het gaat om de vraag of de procedure in haar geheel, bezien tegen de achtergrond van alle omstandigheden van het geval, als eerlijk kan worden aangemerkt. Daarbij kan betekenis toekomen aan eventuele compenserende waarborgen die gedurende de procedure aanwezig zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat de procedure in deze strafzaak, in haar geheel bezien, eerlijk is verlopen. De rechtbank heeft de door verdachte aangevoerde bezwaren in haar beoordeling betrokken, maar ziet daarin, afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Verdachte heeft immers tijdig beschikking gehad over het strafdossier, werd bijgestaan door raadslieden en heeft te allen tijden de mogelijkheid gehad onderzoekswensen in te (laten) dienen of ontlastend materiaal aan te leveren met het verzoek dit te voegen aan het strafdossier. Aan verdachte is alle gelegenheid en faciliteiten geboden om zijn verdediging te voeren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank daarom van oordeel dat geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich –overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir– op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft –overeenkomstig haar overgelegde pleitnotities– primair bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft zij betoogd dat niet alle tenlastegelegde gedachtestrepen kunnen worden bewezen. Op specifieke verweren zal de rechtbank hierna –voor zover relevant– nader ingaan.
Het oordeel van de rechtbank
Aan verdachte is driemaal ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van verschillende personen. Aangevers [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever/benadeelde partij 3] , [aangever 3] , [aangever 4] , [aangever 5] en [aangever 6] hebben in hun aangiftes verklaard dat verdachte de tenlastegelegde bewoordingen via e-mailberichten tegen hen heeft geuit. Daarnaast bevat het strafdossier (foto’s van) e-mailberichten waarin de (meeste) tenlastegelegde bewoordingen zijn terug te lezen.
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat hiermee het bewijsminimum is gehaald voor alle de tenlastegelegde bewoordingen. In de e-mails, die vanaf het e-mailadres van verdachte aan aangevers zijn verzonden, komt het merendeel van de woorden en zinnen terug die verdachte volgens de aangiftes zou hebben gebruikt. Het bewijsminimumvoorschrift, dat onder meer tot uitdrukking komt in artikel 342 lid 2 Sv, ziet op de tenlastelegging in haar geheel en niet op ieder onderdeel daarvan. De opvatting van de raadsvrouw dat iedere afzonderlijke gedachtestreep en daarmee elk onderdeel van de tenlastelegging door meerdere bewijsmiddelen moet worden gedekt vindt, mede gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, geen steun in het recht. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.
Overigens heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad in totaal ongeveer 716 e-mailberichten heeft verzonden en dat de toon van deze berichten op sommige momenten niet aardig was. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij begrijpt dat de medewerkers van [zorgorganisatie] de door hem verzonden teksten als bedreigend konden ervaren en hij heeft zijn excuses aangeboden voor de door hem aan de medewerkers van de Hogeschool [hogeschool] verzonden e-mailberichten.
Gelet op de verklaringen van aangevers, de daarbij overgelegde (foto)bijlagen en de verklaring van verdachte, stelt de rechtbank vast dat verdachte alle tenlastegelegde bewoordingen via e-mailberichten heeft geuit aan de aangevers.
De raadsvrouw heeft verder betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde bewoordingen ‘Als [verdachte] zijn recht niet krijgt komt hij met een kalasjnikov op je af. Wij gaan de tweede Zweden of Noorwegen worden. Ik schiet heel [hogeschool] lek’. Daartoe heeft zij aangevoerd dat deze tekst volgens aangever [aangever 3] op 14 augustus 2025 is verzonden, terwijl in de tenlastelegging een periode is opgenomen van 14 juli 2025 tot en met 12 augustus 2025.
De rechtbank verwerpt dit verweer. De tenlastelegging vermeldt dat de gedraging heeft plaatsgevonden “omstreeks” de daarin genoemde periode. Met het gebruik van het woord “omstreeks” is tot uitdrukking gebracht dat de in de tenlastelegging genoemde periode niet als een strikt afgebakend tijdvak is bedoeld. In dit geval gaat het om een gering verschil van slechts twee dagen tussen de in de tenlastelegging genoemde periode en de datum waarop de betreffende bewoording is verzonden. Deze afwijking valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de reikwijdte van “omstreeks”. De enkele omstandigheid dat de betreffende bewoording op 14 augustus 2025 is verzonden, staat daarom niet aan een bewezenverklaring in de weg.
Kwalificatie
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte door de tenlastegelegde bewoordingen tegen aangevers te uiten zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en/of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Gelet op de inhoud, intensiteit, frequentie en veelheid van de door verdachte verzonden berichten kon bij de aangevers in redelijkheid de vrees ontstaan dat verdachte de misdrijven waarmee hij dreigde, daadwerkelijk zou plegen. Dat volgens de verdediging de door verdachte geuite bewoordingen moeten worden beschouwd als een emotionele ontlading, of moeten worden bezien in de context van door verdachte gevoerde juridische procedures en dat verdachte nadien zijn excuses heeft aangeboden aan aangevers, maakt dit oordeel niet anders. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de berichten waren gericht tegen specifieke medewerkers van respectievelijk een huisartsenpraktijk, [zorgorganisatie] , een hogeschool en de gemeente Amsterdam. Verder wordt in de berichten niet verwezen naar een juridisch conflict en is het bovendien niet vanzelfsprekend dat de bewoordingen in een juridische context zouden moeten worden bezien. Verder zette verdachte in het merendeel van de berichten waarin hij zich heeft verontschuldigd voor zijn eerdere berichten vervolgens een onaangename en beledigende toon voort.
Uit de hierboven beschreven gedragingen leidt de rechtbank af dat verdachte ook opzet had om aangevers vrees aan te jagen. Niet gebleken is dat verdachte door zijn emoties en frustraties over juridische procedures geen enkel inzicht had in zijn handelen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde bedreigingen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1:
in de periode op verschillende tijdstippen vanaf 9 augustus 2025 tot en met 24 augustus 2025 in Nederland, [aangever 1] en [aangever 2] (beide werkzaam bij [zorgorganisatie] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die Van [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Als ik geen uitweg zie schiet ik je door je kankerkop" en
die [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen:
- " ik breek in jouw hoofd met een breekijzer" en
- " ik ga jouw lelijke kankerkop van kankerromp scheiden",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 2:
in of omstreeks de periode op verschillende tijdstippen vanaf 14 juli 2025
tot en met 12 augustus 2025 in Nederland, [aangever/benadeelde partij 3] en [aangever 3] (beide werkzaam bij de Hogeschool [hogeschool] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangever/benadeelde partij 3] dreigend de woorden toe te voegen:
- " ik kom jouw kankermoeder ophalen en in stukken hakken"
en die [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Als [verdachte] zijn recht niet krijgt komt hij met een kalasjnikov op je af. Wij gaan de tweede Zweden of Noorwegen worden. Ik schiet heel [hogeschool] lek",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 3:
in de periode op verschillende tijdstippen vanaf 11 augustus 2025 tot en met 22 augustus 2025 te Amsterdam respectievelijk [aangever 4] en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [aangever 5] en [aangever 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangever 4] en [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (allen werkzaam bij [gezondheidscentrum/Stichting] gezondheidscentrum) eenmaal of meermalen dreigend de woorden toe te voegen:
-"Ik ga je slopen" en
- " doe een bitje in want ik ga je slopen" en
- " ik ga jou het ziekenhuis in beuken" en
- " Als ik deze weg zat ben kom ik met mijn hakmes" en
door die [aangever 5] (werkzaam bij gemeente Amsterdam) dreigend de
woorden toe te voegen:
- " Ik kom je achterna, je gaat wel merken. ik eet je op en dan krijg je een kankermoordenaar. ik ga gatenkaas van je maken" en
door die [aangever 6] (werkzaam bij [woningcoöperatie] ) dreigend de woorden toe te voegen:
- " Ik ga gehakt van jullie maken",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
6. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de feiten en omstandigheden die uit het strafdossier volgen, de conclusies van het rapport van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC) en de conclusies uit het enkelvoudig rapport uit 2021 de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan verdachte zijn toe te rekenen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte geen verweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van het PBC-rapport van 29 mei 2026. De deskundigen hebben zich in het rapport onthouden van advies omdat zij als gevolg van de houding van de verdachte niet tot een diagnostische conclusie konden komen. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het psychologisch onderzoek van 15 oktober 2021 over verdachte, waar in het PBC-rapport naar wordt verwezen en waar hij grotendeels wél aan heeft meegewerkt.
Uit dit psychologisch onderzoek blijkt dat de psycholoog destijds heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake was van een stoornis in het cocaïne- en cannabisgebruik en van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Daarnaast heeft de psycholoog geconcludeerd dat deze stoornissen hadden doorgewerkt in de tenlastegelegde feiten in die strafzaak.
In het PBC-rapport komt naar voren dat de deskundigen bij verdachte een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken’ bij verdachte hebben vastgesteld. Een stoornis in middelengebruik hebben zij vanwege onvoldoende informatie niet kunnen vaststellen. Omdat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek van de deskundigen hebben zij geen antwoord kunnen geven op de vraag of en, zo ja in welke mate deze stoornis heeft doorgewerkt in de tenlastegelegde feiten. Wel hebben de deskundigen, gelet op de langdurige aard van persoonlijkheidsstoornissen, geconcludeerd dat deze stoornis ten tijde van de tenlastegelegde feiten bij verdachte aanwezig was.
De rechtbank neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare. Gelet op de in 2021 vastgestelde doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis in de destijds tenlastegelegde feiten in een andere strafzaak en de vaststelling van de deskundigen dat nu sprake is van een vergelijkbare stoornis die ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig was, acht de rechtbank het aannemelijk dat deze stoornis heeft doorgewerkt in de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in ieder geval in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
8. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 304 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging). Daartoe heeft zij aangevoerd dat aan alle voorwaarden voor oplegging daarvan is voldaan en dat alternatieven voor het verlagen van het hoge recidiverisico ontbreken. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht dat aan verdachte ook een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en daarbij opgemerkt dat een veel lagere straf op zijn plaats is.
Daarnaast heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om geen tbs-maatregel op te leggen. De tenlastegelegde feiten zijn onvoldoende ernstig om oplegging van een zo verstrekkende maatregel te rechtvaardigen en uit het PBC-rapport en het reclasseringsadvies van 2 juli 2026 kan niet worden afgeleid dat verdachte zodanig (fysiek) gevaar voor anderen vormt dat alleen een tbs-maatregel de veiligheid van de maatschappij kan waarborgen.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hij heeft een grote hoeveelheid bedreigende e-mailberichten verstuurd aan medewerkers van [zorgorganisatie] waar hij een woning had, aan medewerkers van een hogeschool waar hij een opleiding volgde, aan medewerkers van de gemeente Amsterdam en aan medewerkers van zijn huisartspraktijk. Verdachte heeft ernstige en zorgwekkende uitingen gedaan tegen personen die er juist waren om hem te helpen. Uit de aangiftes en de slachtofferverklaring op de zitting blijkt dat verdachte door zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid heeft opgeroepen bij de slachtoffers. De medewerkers van de huisartsenpraktijk waren zo bang voor verdachte dat de praktijk beveiliging heeft moeten inhuren.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 24 november 2025, waaruit blijkt dat hij in het verleden is veroordeeld voor bedreigingen. Ook blijkt uit het strafblad dat hij zich onder meer heeft schuldig gemaakt aan geweldsmisdrijven en beledigingen. Kennelijk hebben eerdere veroordelingen hem er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (vergelijkbare) strafbare feiten.
Uit het PBC-rapport blijkt, in aanvulling op hetgeen in rubriek 7.3. is vermeld, dat verdachte op meerdere levensgebieden in zijn bestaan is vastgelopen. De gedragingen die passen bij de in 2021 vastgestelde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken worden door de deskundigen van het PBC ook waargenomen. Zo heeft verdachte problemen in de emotieregulatie (wisselende stemmingen en boosheid die niet is te remmen), in de impulscontrole (impulsieve boosheid) en frustratietolerantie. Daarnaast bagatelliseert en externaliseert hij en ziet hij niet wat het effect van zijn gedrag op anderen is. Door de weigering van verdachte om aan het onderzoek mee te werken is het niet mogelijk geweest voor de deskundigen om een inschatting te maken van het risico op recidive en hebben zij geen advies uitgebracht over een eventueel op te leggen maatregel binnen een juridisch kader.
De deskundigen hebben op de terechtzitting van 22 september 2026 de conclusies in het PBC-rapport bevestigd.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsadviezen, waaronder het meest recente rapport van 2 juli 2026. Hieruit volgt dat het gedrag van verdachte, zoals het bedreigen van beroepsbeoefenaars en overheidsinstanties, een terugkerend patroon is. Volgens de reclassering maakt verdachte een gekwetste en gekrenkte indruk en lijkt hij te denken dat de hele wereld tegen hem is en niemand naar hem wil luisteren. Uit het dossier zijn de inspanningen van hulpverleners echter duidelijk aanwezig, maar zou verdachte degene zijn die zich door zijn wantrouwen niet wil laten helpen. Hierdoor ontstaat er een impasse in welke vorm van hupverlening dan ook. Verdachte heeft geen beschermende factoren. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Gelet op het voorgaande vindt zij dat een tbs-maatregel met dwangverpleging een mogelijkheid is om diagnostiek over verdachte helder te krijgen, zijn boosheid terug te brengen tot aanvaardbare proporties en inzicht te verkrijgen in het denken en handelen, het ziektebesef en ziekte-inzicht te vergroten en beschermende factoren op te bouwen. Hiervoor heeft de reclassering echter geen forensische onderbouwing, omdat de deskundigen van het PBC niet tot een dergelijk advies hebben kunnen komen. Oplegging van tbs met voorwaarden of andere reclasseringsinterventies worden niet haalbaar of uitvoerbaar geacht, vanwege de houding van verdachte.
Op de terechtzitting heeft de reclasseringswerkster het reclasseringsadvies bevestigd en benadrukt dat zij zich zorgen maakt om verdachte, gelet op zijn gedrag tegen personen die hij nodig heeft.
Geen tbs-maatregel
Anders dan de officier van justitie heeft geëist, zal de rechtbank aan verdachte geen tbs-maatregel opleggen. Hoewel de psychische problematiek van verdachte gelet op de eerdergenoemde deskundigenrapporten hardnekkig lijkt te zijn en zijn gedrag zeer zorgelijk en beangstigend is voor degenen die hij bedreigend bejegent, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een tbs-maatregel op dit moment niet passend is. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde feiten bestaan uit schriftelijke bedreigingen en dat deze bedreigingen niet gepaard zijn gegaan met daadwerkelijk fysiek benaderen van de bedreigde personen of met geweld of andere agressieve gedragingen tegen de slachtoffers. Hoewel de rechtbank de aard en ernst van de bedreigingen niet miskent en begrijpt dat deze bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt, bieden de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan onvoldoende grond voor de conclusie dat van verdachte een zodanig ernstig gevaar uitgaat dat de oplegging van een ingrijpende maatregel als de tbs-maatregel is vereist.
De straf
Hoewel deze uitkomst voor verdachte (die hulp nodig heeft) en de samenleving (die wel enige bescherming tegen de verdachte behoeft) onbevredigend is, resteert alleen de oplegging van een kale gevangenisstraf. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de aard en ernst van de feiten een dergelijke straf gerechtvaardigd. Verdachte heeft veel, zeer ernstige en zorgwekkende e-mailberichten verstuurd naar meerdere personen die uit hoofde van hun beroep juist bezig waren (geweest)om hem te helpen. De geuite bedreigingen, oninvoelbaar en in felle bewoordingen, hebben een grote impact gehad op de geadresseerden. Daarbij neemt de rechtbank in strafverzwarende zin in aanmerking dat verdachte eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten en ondanks een contactverbod een medewerker van [zorgorganisatie] bedreigende e-mailberichten is blijven sturen. Ook is hij gerecidiveerd in de proeftijd van twee eerdere veroordelingen en heeft een totaal gebrek aan inzicht in zijn handelen getoond. In straf verminderende zin weegt zij mee dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte zijn toe te rekenen. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Geen gedragbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De officier van justitie heeft behalve de maatregel van tbs ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd. Deze vordering is niet onderbouwd en evenmin heeft de officier van justitie een reclasseringsadvies dienaangaande overgelegd. De rechtbank wijst de vordering dan ook af en volstaat met het opleggen van een gevangenisstraf.
9. Tenuitvoerleggingen voorwaardelijke veroordeling
Parketnummer 13/032393-25:
Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/032393-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 7 februari 2025 van de politierechter in Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Parketnummer 13/378212-24:
Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/378212-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 8 januari 2025 van de politierechter in Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 26 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met bovengenoemde parketnummers moet worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet kunnen worden toegewezen, omdat de officier van justitie deze vorderingen op de terechtzitting van 22 september 2026 niet heeft voorgedragen.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om de vorderingen af te wijzen en meer subsidiair verzocht om te bepalen dat de vorderingen worden verrekend met de tijd die verdachte in voorarrest heeft vastgezeten, omdat hij al te lang voor de tenlastegelegde feiten in voorarrest heeft vastgezeten.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vorderingen. De vorderingen zijn weliswaar niet bij aanvang van het onderzoek op de terechtzitting van 22 september 2026 voorgedragen, maar de officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordelingen met bovengenoemde parketnummers alsnog op die terechtzitting gevorderd. Zij heeft die vordering gedaan voordat het onderzoek op de terechtzitting werd gesloten en de verdediging is vervolgens in de gelegenheid gesteld op die vorderingen te reageren. Het primaire verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.
Nu is gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen gelasten. De rechtbank zal de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht niet aftrekken van de straf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gelast, nu de wet niet in deze mogelijkheid voorziet.
10. Beslag
Onder verdachte is een telefoon (PL1300-2025201005-G6708149, Zwart, merk: Samsung) in beslag genomen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen telefoon moet worden verbeurdverklaard, omdat met dit toestel de feiten zijn begaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de telefoon terug moet worden gegeven aan verdachte, omdat uit het onderzoek blijkt dat de e-mailberichten zijn verzonden vanuit de laptop van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de telefoon verbeurd verklaren. De telefoon behoort aan verdachte toe en – anders dan de raadsvrouw – is de rechtbank van oordeel dat de telefoon een voorwerp is waarmee de bewezenverklaarde feiten zijn begaan. Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte is immers gebleken dat op die telefoon het e-mailaccount van verdachte was geconfigureerd en dat zich in de map ‘verzonden’ e-mailberichten bevonden, waarvan de datum, het tijdstip en de daarin opgenomen teksten, overeenkwamen met de e-mailberichten die door aangevers zijn ontvangen.
11. De vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.000 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.000 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [aangever/benadeelde partij 3] heeft een vordering ingediend, maar heeft geen bedrag genoemd.
De benadeelde partij Stichting [stichting] vordert € 2.500 aan vergoeding van immateriële schade en € 20.485,35 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben aangevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat die vorderingen niet zijn onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade:
De benadeelde partijen hebben allen een vordering tot vergoeding van immateriële schade ingediend. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Op grond van artikel 6:106, eerste lid en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) hebben de benadeelde partijen recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel hebben opgelopen, in hun eer of goede naam zijn geschaad of op andere wijze in persoon zijn aangetast. Van een aantasting in persoon op ‘andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daaraan voor de benadeelden, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zullen degenen die zich hierop beroepen de aantasting in hun persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in hun persoon kan worden aangenomen.
De benadeelden hebben niet aangetoond dat sprake is van geestelijk letsel. Volgens vaste rechtspraak is voor het vaststellen van geestelijk letsel vereist dat daar een (medische) onderbouwing aan ten grondslag ligt door een huisarts, psycholoog of behandelaar. De benadeelden hebben weliswaar aangevoerd onder meer psychische klachten, gevoelens van onveiligheid en verminderde levensvreugde te ervaren, maar hebben dit niet met (medische) stukken onderbouwd.
Ook als er geen sprake is van geestelijk letsel kan de rechtbank in sommige gevallen – ook zonder die onderbouwing – toch een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW vaststellen. De Hoge Raad stelt daaraan hoge eisen. De maatstaf daarbij is dat de aard en de ernst van de normschending reeds meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat daarvoor immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Bedreiging zoals in onderhavige zaak, waarbij de bedreiging zich heeft beperkt tot schriftelijke uitingen, is doorgaans niet een feit waarbij dat het geval is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de benadeelden gevoelens van onveiligheid en verminderde levensvreugde hebben ervaren, wordt de drempel voor het aannemen van een aantasting in de persoon in dit geval niet gehaald. De rechtbank acht de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in (dit deel) van hun vorderingen. Desgewenst kunnen de benadeelden hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering tot vergoeding van materiële schade door Stichting [stichting] :
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot vergoeding van materiële schade, omdat deze vordering niet is onderbouwd.
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
13. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde:
telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart verbeurd:
1. STK Telefoontoestel (PL1300-2025201005-G6708149, Zwart, merk: Samsung).
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [aangever/benadeelde partij 3] en Stichting [stichting] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/378212-24 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) dagen.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/032393-25 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) dagen.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M. Somsen, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en D. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.
[--]
[--]