RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/271702-25
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd en ingeschreven te: [naam PI] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Çimen, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – zakelijk weergegeven en na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 3 primair kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de eigenaar is van de telefoon met goednummer 857138 en het daarop aangetroffen account “ [accountnaam] ”. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn. Ten aanzien van feit 3 primair en subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van opzet.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank acht daarom niet bewezen wat onder feit 2 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 en feit 3 primair
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 3 primair. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Gebruiker account “ [accountnaam] ”
Op 21 mei 2025 wordt in de kledingkast van verdachte, op zijn verblijfsadres [verblijfadres] , een telefoon in beslag genomen. Op deze telefoon treft de politie het account “ [accountnaam] ” aan. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de eigenaar is van de telefoon en het account “ [accountnaam] ” heeft gebruikt.
Op de telefoon zijn chatgesprekken aangetroffen waarin wordt gesproken over dat “ [accountnaam] ” een woning gaat huren. Op de telefoon wordt ook de documentatie ten aanzien van de huuraanvraag van de [adres] aangetroffen. Deze documentatie is ook aangetroffen op het verblijfadres van verdachte. “ [accountnaam] ” heeft het er in een chatgesprek op 6 oktober 2024 over dat hij ‘morgen’ de sleutel van het huurappartement krijgt. Deze datum komt overeen met de ondertekening van het huurcontract van de [adres] , namelijk op 7 oktober 2024. Het huurcontract stond op naam van verdachte. Daarnaast heeft “ [accountnaam] ” over een vrouw en jong kind gesproken. Dat komt overeen met de gezinssituatie van verdachte.
Ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij de gebruiker is van het account “ [accountnaam] ”. Kort gezegd heeft hij verklaard dat hij de telefoon moest bewaren voor een klant die hij verder niet bij naam wil noemen. Verdachte bewaarde de telefoon thuis en nam deze iedere keer mee naar zijn werk, waar de klant de telefoon kon gebruiken. Pas na het bewaren van de tweede of derde telefoon zou bij verdachte enige argwaan zijn ontstaan. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat verdachte vrijwillig een telefoon zou hebben bewaard, deze heen en weer naar zijn werk zou hebben genomen en dat de klant iedere keer naar zijn werk zou zijn gekomen om daar de telefoon te gebruiken zonder dat verdachte daar in eerste instantie argwaan over heeft gekregen. Ook sluit dit niet aan bij de soms ook nachtelijke tijdstippen waarop de chatgesprekken hebben plaatsgevonden.
Op basis van al het voorgaande passeert de rechtbank het alternatieve scenario van verdachte en acht zij bewezen dat verdachte de gebruiker is van het account ‘ [accountnaam] ’.
Het opzettelijk bewerken, vervoeren en aanwezig hebben van 328, 282, 2956, 270, 300 kilogram harddrugs (feit 1)
In de chatgesprekken tussen “ [accountnaam] ” en anderen wordt onder andere gesproken over stashlocaties, blokken en snijden. Dit zijn termen die betrekking hebben op harddrugs. Daarnaast worden tokennummers en biljetten, voornamelijk vijf eurobiljetten, in de chatsessies gedeeld, waarvan ambtshalve bekend is dat in het criminele milieu biljetnummers worden gebruikt als token voor de overdracht van verdovende middelen en contante geldbedragen. Verder worden namen van opdrukken gedeeld. Ook hiervan is ambtshalve bekend dat blokken cocaïne vaak worden voorzien van een opdruk, ook wel stempel genoemd, met teksten of afbeeldingen. Ook worden administraties van grote hoeveelheden bijgehouden en overdrachten besproken en wordt gesproken over bijvoorbeeld het laten plaatsvinden van een overdacht op een andere plek omdat er teveel ogen zijn op die plek. Op basis hiervan, en de chatgesprekken in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de ten laste gelegde hoeveelheden in onderdelen A, B, C, D, en E betrekking hebben op middelen zoals opgenomen in lijst I van de Opiumwet.
Ten aanzien van de in onderdeel A ten laste gelegde hoeveelheid stelt de rechtbank vast dat het hierbij om cocaïne gaat. Immers wordt in de chatgesprekken op 4 en 5 september 2024 tussen “ [accountnaam] ” en anderen gesproken over blokken met stempels ‘YNWA’. In de woning op de [adres] is op 21 mei 2025 onder andere een blok met opdruk ‘YNWA’ aangetroffen waarvan is vastgesteld dat dit cocaïne bevatte.
Ook ten aanzien van de ten laste gelegde hoeveelheid in onderdeel C stelt de rechtbank vast dat sprake is van cocaïne. In de chatgesprekken op 10 september 2024 geeft “ [accountnaam] ” aan: “Tis kerst”, waarmee kennelijk op de poederachtige witte verschijningsvorm van cocaïne wordt gedoeld. Daarnaast wordt in de chatgesprekken uitgebreid gesproken over het snijden van een grote hoeveelheid gedurende de nachtelijke uren. Onder snijden verstaat de rechtbank het versnijden van verdovende middelen, hetgeen vaak gebeurt met cocaïne. Gelet hierop acht de rechtbank ten aanzien van dit onderdeel naast het aanwezig hebben, ook het bewerken bewezen.
Ten aanzien van onderdelen A, B, C, D en E wordt gesproken over inladen, meegeven en geslaagde overdrachten, waardoor naast het aanwezig hebben, ook het vervoeren kan worden bewezen.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte zich gedurende de periode 5 september tot en met 23 september 2024 op verschillende momenten bezig heeft gehouden met het bewerken, vervoeren, dan wel aanwezig hebben van de verschillende ten laste gelegde hoeveelheden harddrugs, waaronder cocaïne.
Het opzettelijk aanwezig hebben van 44,62 kilogram cocaïne en 33,18 kilogram heroïne (feit 3 primair)
Op 20 mei 2025 wordt in de woning aan de [adres] 44,62 kilogram cocaïne en 33,18 kilogram heroïne aangetroffen. Deze woning werd door verdachte gehuurd. Zoals vastgesteld is verdachte de gebruiker van “ [accountnaam] ” en hield hij zich bezig met het beheer van verschillende voorraden harddrugs. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij de woning in opdracht van een klant heeft gehuurd en er zelf nooit kwam, vindt de rechtbank gelet hierop niet geloofwaardig. De rechtbank stelt vast dat verdachte beschikkingsmacht over en wetenschap heeft gehad van de drugs die in het pand aan de [adres] is aangetroffen zodat dus sprake is van opzet op het voorhanden hebben daarvan.
Medeplegen
Uit de inhoud van de chatgesprekken blijkt dat verdachte de verschillende hoeveelheden drugs zoals ten laste gelegd onder feit 1 en feit 3 primair beheerde voor anderen en dit in overleg deed met anderen, waardoor sprake is van medeplegen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 5 tot en met 23 september 2024 in Nederland meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, grote hoeveelheden van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten
A. op 5 september 2024 328 kilogram cocaïne, B. op 6 september 2024 282 kilogram van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, enC. in de periode van 10 tot en met 11 september 2024 2956 kilogram cocaïne, enD. op of omstreeks 21 september 2024 270 kilogram van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, enE. op 23 september 2024 300 kilogram van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Ten aanzien van feit 3 primair:
op 20 mei 2025 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, 33,18 kilogram heroïne en 44,62 kilogram cocaïne.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 en feit 3 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook heeft de verdediging verzocht om wat betreft strafmaat aan te sluiten bij enkele volgens haar vergelijkbare zaken, waarin minder hoge straffen voor soortgelijke feiten zijn opgelegd dan in deze zaak door de officier van justitie is gevorderd.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte was betrokken bij het beheren van grote hoeveelheden harddrugs op verschillende locaties. De rechtbank gaat uit van een totale hoeveelheid van 3.643,8 kilogram harddrugs, bestaande uit 3.566 kilogram (feit 1 onderdelen A t/m C) en 77,8 kilogram (feit 3 primair). Om dubbeltellingen van voorraden te voorkomen neemt de rechtbank de hoeveelheden onder feit D en E niet mee. De bewezenverklaarde 328 kilogram (onderdeel A) en 270 kilogram (onderdeel D) werden namelijk beide opgeslagen in stashlocatie “South”, waardoor het mogelijk is dat een de voorraad van onderdeel D overlapt met die van A. Van de 300 kilogram (onderdeel E) is niet duidelijk geworden om welke stashlocatie dat ging. In het voordeel van verdachte laat de rechtbank ook die hoeveelheid daarom buiten beschouwing. Dat neemt niet weg dat het om een enorme voorraad harddrugs gaat die verdachte samen met anderen beheerde.
Harddrugs zijn voor de gezondheid van de gebruikers daarvan schadelijk. Het gebruik ervan is in toenemende mate ontwrichtend voor de samenleving. Verdachte heeft als voorraadbeheerder een uitvoerende rol gehad. Deze rol maakt zijn aandeel in de ontwrichting van de samenleving door drugscriminaliteit significant. Vanwege de ernst van het strafbare handelen van verdachte is dan ook alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende sanctie. Tegelijkertijd houdt de rechtbank er wel rekening mee dat verdachte geen aansturende rol heeft gehad, maar zelf werd aangestuurd en ook geen grootverdiener aan het beheren van de grote hoeveelheden drugs lijkt te zijn geweest.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf verder rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapporten van Reclassering Nederland van 29 april 2026 en 4 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte zijn leven ogenschijnlijk op orde had. De reclassering kan niet inschatten of eventuele risico’s op herhaling beperkt kunnen worden met voorwaarden of toezicht. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 19 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.
8. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Verbeurdverklaring
De voorwerpen met nummers 5, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23 behoren aan verdachte toe. Omdat met betrekking tot die voorwerpen het bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.
Teruggave aan rechthebbende
De rechtbank bepaalt dat de voorwerpen met nummers 1, 2, 3, 4 aan verdachte worden teruggegeven.
Geen beslissing
Het voorwerp met nummer 10 is al aan verdachte teruggegeven, waardoor de rechtbank hierover geen beslissing meer dient te nemen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 3 primiar ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 3 subsidiair:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beslag
Verklaart verbeurd: 5, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23
1 STK Kentekenbewijs (Omschrijving: PL1300-ADRAA25089_871417, Kenteken: [kenteken] ), voorwerpnummer: 871417;
Gelast de teruggave aan verdachte van:
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Wildeman, voorzitter,
mrs. P.L.C.M. Ficq en A.E. Wilbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2026.