RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-208087-26
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 april 2023 door de advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] (Duitsland),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [P.I.] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr R.S.F. ten Kortenaar, advocaat in Baarn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het hof van Beroep Antwerpen, C5 kamer, van 19 oktober 2022, met referentie 2019/PGA/1079 (Griffienummer 1292/22).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van veertig maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1.200 dagen.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon ontkent dat hij een advocaat heeft gemachtigd namens hem de verdediging te voeren en dit kan ook niet worden vastgesteld. Eveneens kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon de oproep heeft ontvangen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Het EAB en de aanvullende informatie vermelden dat de opgeëiste persoon in hoger beroep is vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van de juistheid van die informatie worden uitgegaan. Verder kan de opgeëiste persoon worden geacht op de hoogte te moeten zijn geweest van de tijd en plaats van de zitting. De opgeëiste persoon heeft namelijk in voorarrest gezeten, is meermalen verhoord, er is namens de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld en de oproep is gezonden aan het adres dat bij het instellen van het hoger beroep is op gegeven. Subsidiair moet gelet op voornoemde van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW worden afgezien.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van het hof van Beroep Antwerpen, C5 kamer, van 19 oktober 2022 toetsen aan artikel 12 OLW.
Uit het dossier volgt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om in hoger beroep zijn verdediging te voeren en dat de advocaat tijdens het proces de verdediging daadwerkelijk heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Bovendien zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW moet echter ook kunnen worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Hierbij dient, gelet op het Khuzdar-arrest, voldaan te worden aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HvJ EU) benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het HvJ EU neergelegde recht op een eerlijk proces.
Het feit dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld betekent niet noodzakelijkerwijs dat de voorwaarde dat de opgeëiste persoon van het tijdstip en de plaats van het proces is kennis moet zijn gesteld niet is vervuld. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan moet bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving van de terechtzitting aan de bij verstek veroordeelde persoon enerzijds en aan de zorgvuldigheid die deze persoon heeft betracht om de aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen anderzijds. Wanneer uit duidelijke en objectieve aanwijzingen blijkt dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet vermijdt dat hij officieel in kennis wordt gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, kan die persoon worden geacht aan de voorwaarde te voldoen, mits de bevoegde nationale autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de opgeëiste persoon te lokaliseren en hem in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn proces.
Uit het dossier en verhandelde ter zitting blijkt niet dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek een instructie heeft gekregen om adreswijzigingen door te geven. Wel blijkt dat bij het instellen van het hoger beroep een adres is opgegeven en dat de oproep is gezonden aan dat adres.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon rechtstreeks in kennis is gesteld als bedoeld in het Khuzdar-arrest. Daarnaast is niet gebleken van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet heeft vermeden dat hij officieel in kennis werd gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW doet zich daarom niet voor.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de opgeëiste persoon bij de huiszoeking is aangetroffen in de loods met de plantage. De opgeëiste persoon is voorgeleid en verhoord met bijstand van de advocaat die hem in hoger beroep ook heeft vertegenwoordigd. Na zijn verhoor is de opgeëiste persoon aangehouden en heeft hij meer dan twee maanden in voorarrest gezeten. De oproep is vervolgens gezonden aan het adres dat is opgegeven bij het instellen van het hoger beroep. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert. Nu de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd had het op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat of de Belgische autoriteiten over de datum van de zitting. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren.
5. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een deel van de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het overige deel van de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens: diefstal;
poging tot diefstal.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de straf die in Nederland maximaal voor dit soort feiten kunnen worden opgelegd. Bovendien is de opgelegde sanctie naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet te worden aangepast.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De binding van de opgeëiste persoon met Nederland
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale, taalkundige, culturele, sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf?
De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Belgische autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende vonnis. Op 22 september 2026 heeft de rechtbank het certificaat van 18 september 2026 en een kopie van het veroordelende vonnis ontvangen. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland.
Conclusie
De rechtbank is gelet op het voorgaande bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
7. Het arrest Rugu en Aucroix
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd, omdat in België een concreet gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon zal worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om garanties te vragen aan de Belgische autoriteiten omtrent de behandeling van de opgeëiste persoon aldaar in detentie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Belgische detentieomstandigheden niet relevant zijn, nu de Belgische autoriteiten reeds toestemming hebben gegeven tot overname van de straf door Nederland.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in een eerdere zaak een algemeen gevaar aangenomen ten aanzien van de detentieomstandigheden in België .De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of uit de uitspraak van het HvJ EU in de zaken Rugu en Aucroix volgt dat er een dwingende volgorde bestaat tussen de weigeringsgrond van artikel 6a OLW en de beoordeling van de detentieomstandigheden (artikel 11 OLW), in die zin dat de rechtbank in alle gevallen eerst moet beoordelen of aan het EAB geen gevolg moet worden gegeven op grond van artikel 11 OLW, voordat zij toekomt aan de beoordeling van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW.
De rechtbank overweegt in deze zaak hierover als volgt. In de zaken Rugu en Aucroix heeft het Hof van Justitie EU in antwoord op prejudiciële vragen, voor zover hier van belang, geoordeeld dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ aldus moet worden uitgelegd dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit die op grond van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ wegens onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat heeft geweigerd om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, van dat kaderbesluit niet aanvullend kan toepassen teneinde te voorkomen dat de gezochte persoon ongestraft blijft. De uitspraak ziet derhalve op de situatie dat er al een individueel gevaar ten aanzien van de detentieomstandigheden is vastgesteld en de rechtbank heeft geoordeeld dat de executie-overlevering daarom niet toelaatbaar is. In dat geval, zo volgt uit de uitspraak, kan zij de weigeringsgrond van 6a OLW niet aanvullend toepassen. In deze zaak is van die situatie geen sprake. De rechtbank heeft namelijk geen individueel gevaar vastgesteld voor deze opgeëiste persoon vanwege de detentieomstandigheden. De rechtbank kan daarom het beroep van de opgeëiste persoon op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW beoordelen, zonder eerst onderzoek te doen naar de detentieomstandigheden. De uitspraak in Rugu en Aucroix staat aan een dergelijke volgorde van toetsing niet in de weg, zolang de rechtbank nog niet heeft geoordeeld dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg kan worden gegeven aan het EAB.
8. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon een Nederlander is en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.
9. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 57, 310 Wetboek van Strafrecht, 3, 11 Opiumwet, en 2, 5, 6a en 7 OLW.
10. Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.