RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/135019-25 (A) en 13/062170-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13/275443-23
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
zaak A, feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [slachtoffer] in de periode van 30 april 2025 tot en met 1 mei 2025 in Amsterdam;
zaak A, feit 2:
belaging van [slachtoffer] in de periode van 24 april 2025 tot en met 1 mei 2025 in Amsterdam;
zaak A, feit 3:
het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing in de periode van 24 april 2025 tot en met 1 mei 2025 in Amsterdam;
zaak A, feit 4:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met verkrachting van [slachtoffer] op 20 november 2025 in Amsterdam en/of Hoofddorp;
zaak B, feit 1:
belaging van [slachtoffer] in de periode van 1 april 2024 tot en met 1 februari 2025 in Amsterdam en/of Hoofddorp;
zaak B, feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [slachtoffer] in de periode van 1 april 2025 tot en met 25 januari 2025 in Amsterdam en/of Hoofddorp.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
Zaak A:
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit tot vrijspraak bepleit, omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte een stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Over het onder 1 tenlastegelegde feit heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd en ten aanzien van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Zaak B:
Voor het onder 1 tenlastegelegde feit heeft de raadsman, gelet op de printscreens van de telefooncontacten, betoogd dat de tenlastegelegde pleegperiode dient te worden teruggebracht tot 1 december 2024 tot en met 25 januari 2025. Van de resterende pleegperiode moet verdachte worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de pleegperiode moet worden beperkt tot de periode van 10 december 2024 tot en met 25 januari 2025. Dat is de periode waarin de tenlastegelegde bewoordingen zouden zijn geuit. Van de resterende periode moet verdachte ook worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A
Feit 2:
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster [slachtoffer] in de periode van 24 april 2025 tot en met 1 mei 2025 meermalen, zowel overdag als in de nachtelijke uren, via zijn eigen telefoonnummer en via een privénummer heeft gebeld. Op 30 april 2025 en op 1 mei 2025 heeft verdachte aangeefster [slachtoffer] zelfs (telefonisch) met de dood en met zware mishandeling bedreigd. Daarmee heeft verdachte contact gezocht en gehad met aangeefster in een periode waarin voor verdachte een gedragsaanwijzing gold, inhoudende dat hij geen enkel contact mocht opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [slachtoffer] . Verdachte was van deze gedragsaanwijzing op de hoogte.
Gelet op de frequentie van deze telefoonoproepen, de tijdstippen waarop deze plaatsvonden, de inhoud van het contact en de omstandigheid dat verdachte een contactverbod had met aangeefster – bezien tegen de achtergrond dat, zoals uit de verdere inhoud van dit vonnis blijkt, verdachte aangeefster ook in het voorgaande jaar gedurende een langere periode meermalen heeft gebeld en toen eveneens een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] gold – is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte een stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [slachtoffer] , met het oogmerk haar te dwingen iets te doen, te dulden en haar vrees aan te jagen.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit.
Feiten 1, 3 en 4:
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen de onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen.
Zaak B
Feit 1:
Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit. De rechtbank is weliswaar met de raadsman van oordeel dat een kortere pleegperiode is bewezen dan tenlastegelegd, maar acht een langere pleegperiode bewezen dan door de raadsman is bepleit. De rechtbank gaat uit van een pleegperiode van 9 oktober 2024 tot 1 februari 2025, omdat uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van aangeefster [slachtoffer] en de door haar aangeleverde screenshots van telefoonoproepen blijkt dat verdachte haar vanaf 9 oktober 2024 tot 1 februari 2025 veelvuldig heeft gebeld. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de resterende tenlastegelegde periode, omdat voor dat deel geen bewijs is.
Feit 2:
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 10 december 2024, 13 december 2024 en 25 januari 2025 de tenlastegelegde bewoordingen heeft geuit tegen aangeefster [slachtoffer] . Daarmee is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich in de periode van 10 december 2024 tot en met 25 januari 2025 heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde bedreiging. De rechtbank spreekt verdachte dan ook, zoals ook door de raadsman is bepleit, vrij van de resterende tenlastegelegde periode.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
zaak A, feit 1:
in de periode van 30 april 2025 tot en met 1 mei 2025 in Nederland, [slachtoffer] , meerdere malen, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer]
(op 30 april 2025) een of meerdere malen dreigend de woorden toe te voegen “Ik ga je kapot maken” en “Ik ga je dood maken”,
(op 1 mei 2025) dreigend de woorden toe te voegen dat hij haar ( [slachtoffer] ) op haar bek gaat slaan en dat haar tanden er uit gaan;
zaak A, feit 2:
in de periode van 24 april 2025 tot en met 1 mei 2025, in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door veelvuldig, met zijn eigen nummer en met een anoniem nummer, te bellen naar het telefoonnummer van die [slachtoffer] en (in een telefoongesprek) dreigende woorden te uiten tegen die [slachtoffer] , (terwijl verdachte een contactverbod heeft ten aanzien van die [slachtoffer] ) met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
zaak A, feit 3:
in de periode van 24 april 2025 tot en met 1 mei 2025, in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 27 februari 2025 (zijnde o.a. een contact- en locatieverbod met [slachtoffer] voor een periode van 90 dagen), gegeven door de officier van justitie te Amsterdam door veelvuldig, telefonisch contact te zoeken en (daadwerkelijk) telefonisch contact te leggen met [slachtoffer] (genoemd in de gedragsaanwijzing);
zaak A, feit 4:
op meer tijdstippen op 20 november 2025 in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met verkrachting, door die [slachtoffer] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen ; “Ik ga jou afmaken” en “Ik ga jullie kapot maken” en “Ik ga je neuken, ik ga je vinden” en “Weet je welk team ik klaar heb staan voor jullie” en “Wanneer ik je gewoon pak, ga ik je, dit keer ga ik vastzitten, ja, omdat ik je echt heb mishandeld” en “Want je weet ik ga je maf poppen, echt kieren toch" en “Wanneer ik weer kan, kom ik naar de Bijlmer en ik plat jullie meteen” en “Ik ga jullie ophangen, ik ga jullie hoofden eraf hakken” en “Je hebt mijn relatie gefockt, ik ga jouw leven focken, ik ga je kapot maken, ik ga je vinden overal” en “Ik eet jullie op”.
zaak B, feit 1:
in de periode van 9 oktober 2024 tot 1 februari 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
-diverse malen meermalen te bellen naar voornoemde [slachtoffer] en (via) diens kinderen en (daarbij) diverse bedreigingen en beledigende woorden te uiten tegen en bedoeld voor voornoemde [slachtoffer] en
-naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te gaan (zulks terwijl hij verdachte met voornoemde [slachtoffer] en diens kind(eren) een contact- en locatieverbod had en voornoemde [slachtoffer] meermalen hem, verdachte, te kennen had gegeven geen contact met hem te willen)
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
zaak B, feit 2:
op meer tijdstippen in de periode van 10 december 2024 tot en met 25 januari 2025 in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen dat hij haar dood zou maken en
- ( onder meer op 10 december 2024) “Dat hij een bom voor haar deur zou plaatsen” en
- ( op 13 december 2024) “Dat als hij haar niet krijgt, niemand haar krijgt” en
- ( op 25 januari 2025) “Ik sla je helemaal de kanker in, ik maak je helemaal kapot, ik heb schijt aan het contactverbod” en “Ik wil je kapot maken”, althans een of meer woorden van gelijke dreigende aard of strekking heeft geuit tegen voornoemde [slachtoffer] .
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf en maatregel
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM-maatregel) zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, waarbij wordt bepaald dat voor iedere overtreding van die maatregel telkens één dag wordt opgeteld bij de toepassing van de vervangende hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht niet opportuun is. Verder heeft de raadsman verzocht om een maximale periode te koppelen aan de elektronische monitoring bij een eventueel op te leggen locatieverbod als bijzondere voorwaarde. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om geen GVM-maatregel op te leggen, omdat deze niet opportuun is. In het geval dat de rechtbank daar anders over oordeelt, heeft de raadsman de rechtbank verzocht om in het kader van de rechtszekerheid niet te bepalen dat bij elke overtreding van de maatregel telkens één dag wordt opgeteld bij de toepassing van de vervangende hechtenis.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van [slachtoffer] , zijn ex-partner waarmee hij een langdurige relatie heeft gehad, maar wie hem duidelijk heeft gemaakt geen contact meer te willen. Verdachte heeft haar in de periode van 9 oktober 2024 tot 1 februari 2025 en 24 april 2025 tot en met 1 mei 2025 veelvuldig lastiggevallen door haar (onder meer) constant, veelvuldig te bellen. Op momenten dat hij contact met haar kreeg, beledigde hij haar en bedreigde hij haar meermalen met de dood. Dit, terwijl verdachte een contactverbod had met zijn ex-partner. Verdachte heeft zo de grens van het toelaatbare overschreden en daarmee een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , bij wie hij gevoelens van angst en onrust heeft veroorzaakt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 24 december 2025, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor partnermishandeling en voor bedreiging. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor belaging.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapportages, waaronder het meest recente rapport van 16 januari 2026, opgemaakt door S. van der Hem. De reclassering heeft gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een hardnekkig delictpatroon voor huiselijk geweld. De factoren die lijken te hebben bijgedragen aan onderhavige strafbare feiten zijn de problematische relatie met zijn ex-partner, het contactverbod ten aanzien van haar en de kinderen en het psychosociaal functioneren van verdachte. De reclassering schat het risico op herhaling in als groot. Bij een veroordeling adviseren zij een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: 1) meldplicht bij de reclassering, 2) ambulante behandeling, 3) locatieverbod (met elektronisch toezicht), 4) omgangsregeling met kinderen, 5) contactverbod, 6) meewerken aan middelencontrole, 7) dagbesteding en 8) huisvesting.
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard bereid te zijn mee te werken aan deze voorwaarden.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 10 september 2025, opgemaakt door P.S. Koendan, psycholoog in opleiding tot GZ-psycholoog onder supervisie van J.M Oudejans, GZ-psycholoog. Hieruit blijkt dat bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis in algemene zin, met onderliggend narcistische dynamiek en antisociale trekken kan worden vastgesteld. Deze stoornis is van invloed geweest op het gedrag van verdachte tijdens het plegen van de feiten. Daarom wordt geadviseerd om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. De psycholoog heeft verder gerapporteerd dat het risico op herhaling van bedreiging wordt ingeschat als hoog, zodat interventies nodig zijn om de risico’s te beperken.
De rechtbank ziet aanleiding om verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen. Daarbij neemt zij de psychische problematiek van verdachte zoals is gerapporteerd in het Pro Justitia rapport in aanmerking.
De straf en maatregel
Alles overwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie voorgestelde straf passend en geboden. Zij legt dan ook op een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Gelet op het advies van de reclassering en de psycholoog zal zij aan het voorwaardelijk deel van de straf na te noemen bijzondere voorwaarden koppelen. Daarbij zal de rechtbank de elektronische monitoring niet beperken tot een maximale periode, omdat zij anders dan de raadsman van oordeel is dat de reclassering in staat is een weloverwogen beslissing te nemen over het voortduren daarvan en verdachte de duur van de elektronische monitoring mede zelf in de hand heeft door zich goed aan de bijzondere voorwaarden te houden.
Daarnaast legt de rechtbank verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op. Het doel van deze maatregel is beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank legt de maatregel op omdat zij van oordeel is dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich op een andere manier belastend naar personen toe zal gedragen. Uit het eerder genoemde rapportage blijkt immers dat het gevaar voor herhaling van soortgelijke feiten hoog is. De rechtbank zal deze maatregel opleggen voor een periode van drie jaar.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikelen 14e en 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde bijzondere voorwaarden en maatregel, dadelijk uitvoerbaar zijn.
8. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/275443-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 18 maart 2024 van de politierechter, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 60 uren niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 38v, 38w, 57, 184a, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A, feit 1 en 4, zaak B, feit 2:
telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van zaak A, feit 2 en zaak B, feit 1:
telkens: belaging;
ten aanzien van zaak A, feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het wetboek van Strafvordering
Verklaart het bewezen strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 110 (honderdtien) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als verdachte gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering:
Verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen (tussen 9:00 uur en 12:00 uur) nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering op het adres Weesperzijde 70 te Amsterdam.
2. Ambulante behandeling:
Verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
3. Locatieverbod (met elektronisch toezicht):
Verdachte bevindt zich gedurende de proeftijd niet in een straal van vijf kilometer rond het adres [adres] , zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Verdachte verlaat Nederland niet gedurende de duur van het elektronisch toezicht zonder toestemming van de reclassering.
4. Omgangsregeling met kinderen:
Uitsluitend door tussenkomst van derden, zoals Veilig Thuis/Jeugdgezondheidszorg (JGZ)/Humanitas, zal verdachte meewerken aan het maken van afspraken over het hebben van omgang en/of contact met zijn kinderen. Hij geeft de reclassering toestemming om hen als referent te raadplegen. Een omgangsregeling is enkel mogelijk zolang de reclassering en overige instanties deze als veilig inschatten. De omgangsregeling start vanaf het moment dat zowel zijn ex-partner, als de kinderen, als de reclassering, als eventueel overig betrokken instanties deze mogelijk achten.
5. Contactverbod:
Verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ). Verdachte mag enkel uitsluitend door tussenkomst van derden, zoals Veilig Thuis, contact met voornoemde [slachtoffer] als dit noodzakelijk wordt geacht voor het treffen van de omgangsregeling.
Verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met zijn kinderen; [naam kind 1] (geboren op [geboortedatum] ), [naam kind 2] (geboren op [geboortedatum] ) en [naam kind 3] (geboren op [geboortedatum] ), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact in verband met de omgangsregeling.
6. Meewerken aan middelencontrole:
Verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om inzicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
7. Dagbesteding:
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
8. Huisvesting:
Verdachte spant zich gedurende de gehele proeftijd in voor het vinden en behouden van passende woonruimte.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van drie jaren zich niet bevindt in een straal van vijf kilometer rond het adres [adres] en op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met
- [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] );
- [naam kind 1] (geboren op [geboortedatum] );
- [naam kind 2] (geboren op [geboortedatum] ); en
- Djayden [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ),
tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact in verband met de omgangsregeling.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/275443-23 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Deze beslissing is gegeven door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. B. van Galen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2026.