RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/210631-25
Datum uitspraak: 3 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1991,
nu gedetineerd in: [detentieadres],
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij], en van wat zijn advocaat mr. R.J. Jager naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (aan) [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde partij] een of meermaals met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken in de borst en/of buik en/of schouder en/of rug en/of elleboog, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de ten laste gelegde poging doodslag heeft begaan door met een mes meermaals met kracht in het lichaam, waaronder de romp, van aangever [benadeelde partij] (hierna: aangever) te steken. De officier van justitie baseert deze bewezenverklaring op de aangifte, de verklaring van verdachte kort na zijn aanhouding, de getuigenverklaringen, de medische stukken van 8 juli 2025 en het Forensisch geneeskundig onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken, omdat de feitelijke toedracht niet is vast te stellen. Verdachte ontkent aangever te hebben gestoken, de verklaringen van aangever zijn onvoldoende betrouwbaar en steunbewijs (in de zin van ooggetuigen of camerabeelden) over de feitelijke toedracht ontbreekt. De verklaringen van aangever zijn onbetrouwbaar omdat hij wisselend en inconsistent heeft verklaard over hetgeen er zou zijn voorgevallen. Deze verklaringen zijn daarom niet bruikbaar voor het bewijs. Omdat de verklaringen van aangever en verdachte lijnrecht tegenover elkaar staan, dient verdachte te worden vrijgesproken.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat vrijspraak van de ten laste gelegde poging tot doodslag moet volgen, omdat uit de enkele vaststelling dat vijf keer is gestoken niet het (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever kan worden afgeleid. Er kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood omdat er geen mes of scherp/puntig voorwerp is aangetroffen, er geen bewijs is met welke kracht zou zijn gestoken en uit het forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI blijkt dat geen vitale organen of structuren zijn beschadigd.
Oordeel van de rechtbank
Betrouwbaarheid aangever
Hoewel aangever wisselend verklaard wanneer hij verdachte én op welke plek op hij op het lichaam van verdachte met een stok heeft geslagen, acht de rechtbank de verklaringen van aangever op essentiële punten, te weten waar het gaat om het door verdachte toegepaste geweld, consistent en niet tegenstrijdig. De verklaringen van aangever worden daarbij op wezenlijke onderdelen ondersteund door de medische informatie en het Forensisch geneeskundig onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangever als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt
De verklaring van verdachte die er in de kern op neer komt dat hij naar aangever was gegaan om te praten, dat beiden in worsteling op de grond zijn gevallen en dat aangever gewond is geraakt doordat hij in een scherp gereedschap is gerold die aangever zelf tevoorschijn zou hebben gehaald, vindt geen steun in objectieve bewijsmiddelen en is bovendien niet aannemelijk gelet op de conclusie in het Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI. De rechtbank acht de verklaringen van verdachte ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. Dat verdachte op het moment dat hij werd aangehouden een wond op zijn voorhoofd had, maakt dit niet anders. Aangever heeft immers verklaard dat hij verdachte in de confrontatie heeft geslagen met een stok.
De rechtbank neemt dan ook de verklaringen van aangever als uitgangspunt bij de beoordeling of het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.
Poging tot doodslag
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet sprake zijn van
(voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met vol opzet heeft gehandeld en overweegt
daartoe het volgende.
Verdachte is op de betreffende dag met een mes op zak op zoek gegaan naar aangever. Toen verdachte aan kwam lopen, zei hij tegen aangever: “Dacht je dat ik je niet zou vinden?” en hij heeft aangever meteen aangevallen. Aangever heeft zich getracht te verweren met een stok en heeft geprobeerd te vluchten. Verdachte heeft aangever vervolgens vijf keer gestoken. Aangever is geraakt in zijn buik, rug, borst, schouder en elleboog. Tijdens het steken brak het mes en zei verdachte: “Wees blij dat het mes kapot is gegaan, anders had ik je kapot gemaakt”.
De rechtbank vindt ook steun in de berichten waarin verdachte voor het steekincident aangever via berichten en opmerkingen op social media met de dood heeft bedreigd met onder andere de volgende berichten: “Ik zal jullie laten zien wat namus (zedelijke eer) is”, “Doodmaken is geen probleem maar het gaat om vinden en als een beest 50-100 keer met een mes steken”, “Oom ik wil een degelijk mes van jou, zo eentje dat niet draait wanneer ik mijn vijand ermee steek.” en “Waar zijn jullie morgen joh Utrecht Heilo IJburg zeg tegen die [benadeelde partij] zodra ik hem zie wordt het namus”. Kort na het incident heeft verdachte tegen een politieagent (in het Turks) gezegd: “ja dit doe ik met mensen zonder eer. Als jij je zonder eer gedraagt, dan verdien je dit toch?” Ook heeft verdachte een foto van een mes gestuurd naar de broer van aangever.
Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de borst- en buikstreek vitale organen bevinden. De kans dat steken in deze kwetsbare onderdelen van het lichaam de dood tot gevolg heeft is – naar algemene ervaringsregels – aanmerkelijk. Zeker wanneer er, zoals in dit geval, diep in het lichaam wordt gestoken. Uit het forensisch geneeskundig onderzoek blijkt dat sprake is van steekwonden in het lichaam van aangever met een diepte van 4,5 tot 14,4 centimeter.
Uit het handelen van verdachte, de diepte van de steekwonden en de door verdachte geuite bewoordingen, leidt de rechtbank af dat bij verdachte de opzet bestond om aangever te doden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage genoemde bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
op 8 juli 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij] meermaals met een mes, heeft gestoken in de borst, buik, schouder, rug en elleboog, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
De raadsman heeft bepleit dat verdachte een beroep toekomt op noodweerexces en hij dus dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging Volgens de raadsman was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever, waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs mocht verdedigen. Dat hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, komt door de hevige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt. Er was sprake van een gespannen verhouding tussen verdachte en aangever en het kan niet anders zijn dan dat de klappen van aangever op het hoofd van verdachte een woedeaanval hebben veroorzaakt waardoor hij zichzelf is verloren.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweerexces verworpen dient te worden, aangezien verdachte zelf nimmer een verklaring heeft afgelegd dat hij zich op deze manier heeft moeten verdedigen.
De rechtbank gaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de betrouwbaarheid van de verklaringen, uit van de door aangever omschreven toedracht van de feiten. Uit de verklaring van aangever blijkt dat verdachte op hem af kwam lopen, hem meteen begon aan te vallen met een mes en dat aangever hem daarna heeft geslagen met een stok om zichzelf te verdedigen. Het was voor verdachte niet noodzakelijk om zich te verdedigen: hij begon met de geweldshandelingen. Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is dan ook geen sprake geweest. Nu geen noodweersituatie aannemelijk geworden is, kan het beroep op noodweerexces ook niet slagen.
Er zijn ook overigens geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daar dan ook strafbaar voor.
7. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (hierna: GVM), als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr), gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring een deels voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op de toenmalige echtgenoot van zijn zus. Verdachte stond niet achter dat huwelijk. Deze onvrede heeft ertoe geleid dat verdachte aangever in de periode voorafgaand aan het delict diverse berichten heeft gestuurd met dreigende teksten. Op 8 juli 2026 heeft verdachte aangever op klaarlichte dag opgezocht en heeft hem welbewust vijf keer met een mes gestoken Aangever heeft vier dagen in het ziekenhuis gelegen en de aanval overleefd maar kampt, zo blijkt uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen, nog altijd zowel fysiek als psychisch met gevoelens van angst en onveiligheid.
Deze zaak kent elementen van eerwraak, in het Turks “namus”, dat blijkt ook uit de opmerkingen van verdachte tegenover de politie na zijn aanhouding. Verdachte heeft met het plegen van dit feit geen enkel respect gehad voor de lichamelijke integriteit van aangever en heeft tijdens zijn handelingen ook op straat voor angst en onrust gezorgd. Daarnaast acht de rechtbank het feit dat het hier om eergerelateerd geweld gaat bijzonder kwalijk en rekent dat de verdachte zwaar aan.
Persoon van verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Pro Justitia rapportage (PBC)
De rechtbank heeft verder acht geslagen op een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum aangaande verdachte, van 8 juni 2026, opgemaakt door [psychiater], psychiater, en [klinisch psycholoog], klinisch psycholoog. In het rapport valt onder meer te lezen:
“Betrokkene heeft niet meegewerkt aan het onderzoek in het PBC. Hij ging niet tot nauwelijks in gesprek met de onderzoekend psychiater, psycholoog en milieuonderzoeker. Hij tekende ook geen machtigingen waarmee informatie kon worden verkregen van de GGZ-instelling waar hij bekend zou zijn (geweest) en voor het verkrijgen van het penitentiair medisch dossier. Ook werkte hij niet mee aan testpsychologisch onderzoek en psychomotorische observatie en liet hij zich niet onderzoeken door de huisarts en de neuroloog in het PBC.
(…)
Er is met name onderzoek geïndiceerd naar het cognitief en adaptief functioneren, een autismespectrumstoornis en de persoonlijkheid. Ook hadden onderzoekers graag in kaart willen brengen wat de invloed is van culturele factoren op betrokkenes gedrag.
Vanwege de beperkingen van het onderzoek is het ook niet duidelijk geworden of betrokkene lijdend was aan een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde (indien bewezen).”
Concluderend hebben de deskundigen geen advies kunnen geven over de eventuele toerekenbaarheid van het feit, geen inschatting kunnen maken van het recidiverisico en geen advies kunnen geven over de eventuele noodzakelijkheid van een behandeling.
Reclassering
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 26 juni 2026. Uit dit advies blijkt dat verdachte ook niet met de reclassering heeft willen praten. De reclassering heeft geen beeld van verdachte kunnen krijgen en kan geen advies kunnen geven over wat nodig is om het risico op recidive te beperken. Wel heeft de reclassering een inschatting gegeven over het risico op onttrekking. Zij achten dit hoog nu verdachte stelselmatig niet mee heeft gewerkt. Daarnaast heeft de reclassering de rechtbank in overweging gegeven aan verdachte een GVM op te leggen zodat eventueel na een gevangenisstraf nader onderzocht kan worden of bijzondere voorwaarden geïndiceerd en uitvoerbaar zijn om het eventuele recidiverisico te beperken.
Strafoplegging
De aard en ernst van het gepleegde feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en daardoor ook geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen. Daarnaast acht de rechtbank strafverzwarend dat het in deze zaak gaat om eergerelateerd geweld.
Alles overwegende acht de rechtbank een straf zoals gevorderd door de officier van justitie passend en geboden, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van het voorarrest.
Maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking
Ter beveiliging van de maatschappij acht de rechtbank oplegging van een maatregel op grond van artikel van art. 38z Sr, strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking, noodzakelijk. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan.
De rechtbank ziet, anders dan door de benadeelde partij verzocht, geen aanleiding om aan verdachte een contact- en locatieverbod ex art. 38v Sr. op te leggen, gelet op de hoogte van de straf en de opgelegde maatregel ex art. 38z Sr.
8. Vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 300,70 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 250,- als vergoeding voor de werkkleding en schoenen die door bloedverlies onbruikbaar zijn geworden en € 50,70 als vergoeding voor de gemaakte kosten voor het opvragen van medische informatie bij de huisarts. Voorts vordert de benadeelde partij € 20.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. Hij verzoekt de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding in zijn geheel dient te worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij voorgesteld deze te matigen tot een bedrag van € 12.500,-. Zij heeft hiervoor aansluiting gezocht bij categorie 14.1.c. van de Rotterdamse Schaal.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman verzocht het gevorderde bedrag voor de werkschoenen niet toe te wijzen, nu deze post niet voldoende is onderbouwd. De immateriële schadevergoeding dient gematigd te worden, nu de benadeelde partij het geweld heeft geïnitieerd en een onderbouwing onderbreekt dat er ernstige psychische problemen bestaan.
Oordeel van de rechtbank
Materiele schade
Door de benadeelde partij is voldoende onderbouwd dat door het toebrengen van steekverwondingen door verdachte schade aan de kleding en schoenen van de benadeelde partij is ontstaan. In dit kader overweegt de rechtbank dat op basis van het procesdossier voldoende aannemelijk is geworden dat de werkkleding en de schoenen van benadeelde door het ontstane bloedverlies onbruikbaar geworden zijn. De rechtbank zal, bij gebrek aan aankoopbonnen, de schade begroten op € 250,- zoals door de benadeelde partij gevorderd. De vordering is in zoverre toewijsbaar. Het overige deel heeft de verdediging niet betwist en heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het materiële deel van de vordering in zijn geheel toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (8 juli 2025).
Immateriële schade
Het staat vast dat [benadeelde partij] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft [benadeelde partij] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De hoogte van de vordering is door de verdediging ter terechtzitting betwist. Bij het vaststellen van de hoogte van deze schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse Schaal.
De rechtbank is van oordeel dat het door de benadeelde partij opgelopen littekens aan zijn armen en benen vallen onder ‘littekens aan andere delen van het lichaam’ in de categorie ‘(c) minder ernstige littekenvorming’ van de Rotterdamse Schaal, waarvoor een bandbreedte geldt van € 1.500,- tot € 5.500,-.
Daarnaast ziet de rechtbank, net als de officier van justitie, reden om voor het geestelijk letsel aansluiting te zoeken bij categorie 14.1.c van de Rotterdamse schaal, waarvoor een bandbreedte geldt van € 4.000,- tot € 13.000,-. Gelet op hetgeen wat hiervoor in het vonnis is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij het geweld heeft niet geïnitieerd en is er geen sprake van eigen schuld.
De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op € 12.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (8 juli 2025). De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikel 36f, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Poging tot doodslag
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Legt aan verdachte op de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel als
bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 300,70 (driehonderd euro en zeventig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 12.500,- (twaalfduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 12.800,70 (twaalfduizend achthonderd euro en zeventig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 89 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.
[…]
[…]
[…]