RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/157222-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 3 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, op de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/157222-24, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de zittingen van 18 augustus 2026 en 3 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de ontnemingsvordering van de officieren van justitie, mrs. A. Lobregts en C.J. Cnossen (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.J. Teeuwen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst, welke op 3 september 2026 door partijen is ondertekend.
2. Procesverloop
Ten aanzien van het procesverloop verwijst de rechtbank naar het vonnis van de rechtbank inzake de strafzaak van verdachte. De strafzaak van verdachte is gelijktijdig met de ontneming behandeld. Ten aanzien van de ontneming vult de rechtbank het procesverloop als volgt aan:
Op de zitting van 3 september 2026 hebben de officier van justitie en de verdediging, op verzoek van de rechtbank, toegelicht waarom zij tot de gemaakte procesafspraken zijn gekomen. De rechtbank heeft daarop gereageerd dat zij de overeengekomen korting van een derde op de betalingsverplichting niet passend acht. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat korting op de ontnemingsmaatregel in de rechtspraak veel minder gebruikelijk is dan korting op de straf bij procesafspraken.
Na een korte onderbreking hebben het Openbaar Ministerie, verdachte en de raadsvrouw de procesafspraken d.d. 27 augustus 2026 aangepast. In plaats van een korting van een derde (resulterend in een betalingsverplichting van €124.317,00) is nu een korting van twintig procent toegepast (resulterend in een betalingsverplichting van €155.233,00). Deze overeenkomst is op 3 september 2026 door verdachte, zijn raadsvrouw en de officier van justitie ondertekend en op 3 september 2026 aan de rechtbank overgelegd. De ondertekende procesafspraken zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht en gelden als hier ingevoegd.
Procesafspraken
Deze aangepaste procesafspraken houden in dat
uit de ontnemingsrapportage naar voren komt dat verdachte een voordeel heeft genoten van een bedrag van € 231.869,00 euro.
verdachte afziet van het indienen van onderzoekswensen in het kader van de ontnemingszaak;
de ontnemingsvordering wordt meegenomen in het kader van deze afspraken. Er zal geen afzonderlijke overeenkomst ex. artikel 511c Wetboek van Strafvordering worden opgemaakt;
verdachte door het maken van procesafspraken beoogt de betalingsverplichting – na aftrek van legale inkomsten en de waarde van het conservatoir beslag – te verlagen tot € 155.233,00;
het Openbaar Ministerie de rechtbank verzoekt om het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de ontneming vast te stellen op € 231.869,00 euro en de betalingsverplichting vast te stellen op € 155.233,00;
verdachte wordt verplicht tot betaling van voornoemd bedrag aan de Staat;
verdachte ten aanzien van het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting geen (draagkracht)verweren voert.
Ontnemingsvordering
Op de zitting van 3 september 2026 heeft de officier van justitie – overeenkomstig de procesafspraken – zijn vordering gewijzigd en heeft hij gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 231.869,00 en dat het aan de Staat te betalen maximumbedrag wordt gesteld op € 155.233,00.
3. Grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2026 in de onderliggende strafzaak, rekening houdend met de in die strafzaak gemaakte procesafspraken, voor de volgende strafbare feiten veroordeeld:
Feit 1 en feit 2:
telkens: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
Feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
Feit 4:
witwassen.
4. Wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting, conform de procesafspraken, gevorderd dat het ontnemingsbedrag wordt vastgesteld op € 231.869,00 en dat het aan de Staat te betalen maximumbedrag wordt gesteld op € 155.233,00.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij haar oordeel gekeken naar de gemaakte procesafspraken. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 3 september 2026 heeft de rechtbank de procesafspraken met veroordeelde besproken, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadsvrouw. Daar heeft veroordeelde verklaard dat hij door zijn raadsvrouw is voorgelicht over de procesafspraken en dat hij de consequenties daarvan begrijpt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, ook waar het gaat om de door veroordeelde te aanvaarden betalingsverplichting samenhangend met het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ondanks de gemaakte procesafspraken behoudt de rechtbank haar eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting plaatsvindt in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat zij in deze zaak zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 36e Sr is voldaan. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld wegens een of meer strafbare feiten een ontnemingsmaatregel worden opgelegd indien hij door middel van die strafbare feiten voordeel heeft verkregen.
De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het proces-verbaal van bevindingen dat ziet op de berekening hiervan. Op grond van dit proces-verbaal is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op € 231.869,00, welk bedrag overeenkomt met het bedrag genoemd in de procesafspraken.
5. De verplichting tot betaling
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank ziet echter aanleiding om daarvan af te wijken.
De bevoegdheid van de rechter om het ontnemingsbedrag lager vast te stellen is niet beperkt tot specifieke gevallen, zoals bijvoorbeeld de draagkracht van de veroordeelde. Het is aan de ontnemingsrechter om te beslissen welke omstandigheden van belang zijn te achten voor de beslissing of de betalingsverplichting wordt gematigd en, zo ja, met welk bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen ook gemaakte procesafspraken een dergelijke omstandigheid zijn.
Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben afgesproken de rechtbank voor te stellen om de betalingsverplichting vast te stellen op € 155.233,00. Daartoe heeft de officier van justitie ter zitting onder meer aangevoerd dat
Omdat enerzijds vaststaat dat veroordeelde in ieder geval tot dat bedrag wederrechtelijk voordeel heeft genoten en anderzijds het belang van de samenleving ermee gediend is dat zowel in de hoofdzaak als in de ontnemingszaak tot een efficiënte afdoening wordt gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om de betalingsverplichting op het tussen partijen overeengekomen bedrag vast te stellen.
De rechtbank bepaalt het te betalen bedrag op € 155.233,00.
6. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 231.869,00 (tweehonderdeenendertigduizend achthonderdnegenenzestig euro).
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 155.233,00 (honderdvijfenvijftigduizend tweehonderddrieëndertig euro) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2026.