RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/064179-26 (zaak A), 13/089335-26 (zaak B, eerder ter terechtzitting gevoegd), 10/340155-24 (zaak C, ter terechtzitting gevoegd), 10/348003-25 (zaak D, ter terechtzitting gevoegd), 10/090672-24 (TUL) en 10/191276-23 (TUL).
Datum uitspraak: 30 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 september 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A/B, zaak C en zaak D aangeduid. Zaak A en B waren in een eerder stadium al gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.B.O. van Soest, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] in zaak C.
2. Tenlastelegging
zaak A
Aan verdachte is - kort samengevat - primair tenlastegelegd dat hij zich op 28 februari 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 2] . Dit is subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als mishandeling van een levensgezel.
zaak B
Aan verdachte is - kort samengevat - primair tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 22 maart 2026 tot en met 23 maart 2026 in Utrecht schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijk dwingen van [slachtoffer 2] om iets te doen, niet te doen en/of te dulden door geweld en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Dit is subsidiair tenlastegelegd als een poging tot dwang.
zaak C
Aan verdachte is - kort samengevat - primair tenlastegelegd dat hij zich op 29 september 2024 in Rotterdam schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Dit feit is subsidiair tenlastegelegd als mishandeling van een levensgezel.
zaak D
Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich op 20 december 2025 in Rotterdam schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie van respectievelijk categorie III, onder 1 en categorie III van de Wet wapens en munitie.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de in zaak A primair en subsidiair en zaak C primair tenlastegelegde (poging) zware mishandeling. Zij heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de overige feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.
In zaak A kan op basis van de verklaring van verdachte worden vastgesteld dat hij aangeefster heeft mishandeld. Er kan, mede door het ontbreken van een letselrapportage, niet worden vastgesteld wat de ernst van het letsel is. Ook een eventuele termijn van herstel kan niet worden vastgesteld. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat er sprake is van (een poging) tot zware mishandeling.
Op basis van de aangifte, de verklaring van verdachte en de berichten van verdachte kan het in zaak B primair tenlastegelegde worden bewezen.
In zaak C heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de aangifte van aangeefster [slachtoffer 1] betrouwbaar is, nu deze wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Daarnaast heeft aangeefster met haar zus en moeder het incident besproken en blijkt uit de letselrapportage dat de wond op haar linkerbeen wordt aangeduid als steekwond. Gelet op de aard van het letsel en de genezingsduur is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel en dient verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijgesproken te worden. De subsidiair tenlastegelegde mishandeling kan wel worden bewezen.
In zaak D heeft zij aangevoerd dat het uit het dossier volgt dat verdachte tijdens het tonen van het vuurwapen door de medeverdachte als bestuurder in de Suzuki aanwezig was en daarom wist van de aanwezigheid van het vuurwapen. Omdat verdachte is aangehouden in een auto waarvan hij de bestuurder was en in het handschoenenkastje een vuurwapen is aangetroffen waarop zijn DNA zat, heeft hij ook beschikkingsmacht over het wapen gehad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om in zaak A het standpunt van de officier van justitie te volgen. In zaak B heeft hij verzocht verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde, nu niet kan worden vastgesteld dat het filmpje door verdachte is verstuurd. Met betrekking tot de poging tot dwang (subsidiaire feit) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft daarnaast verzocht verdachte integraal vrij te spreken van het in zaak C tenlastegelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is nu zij op verschillende momenten verschillend verklaard over het incident. Daarnaast wijst de raadsman nog op de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] die ook geen eenduidige verklaring hebben afgelegd over hetgeen zij hebben gehoord over het incident. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte aangeefster heeft gestoken. Indien de rechtbank dit punt niet volgt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster.
Tot slot heeft hij verzocht verdachte vrij te spreken van het in zaak D tenlastegelegde, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of had moeten weten dat er een vuurwapen in de auto aanwezig was. Ten aanzien van de beschikkingsmacht, heeft de raadsman aangevoerd dat het DNA van verdachte dat is aangetroffen, mogelijk door secundaire overdracht op het vuurwapen is gekomen. Het scenario van verdachte – dat zijn DNA op een andere manier op het wapen gekomen kan zijn – kan niet worden uitgesloten.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak zaak C
Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster
Aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: ook [slachtoffer 1] ) heeft meerdere malen verklaard over wat zich in de woning heeft afgespeeld. De rechtbank stelt vast dat haar verklaringen niet consistent zijn. Zij heeft eerst verklaard dat zij zelf op het mes is gaan zitten en daarna dat zij tegen het mes is aangelopen. Vervolgens heeft zij verklaard dat zij zichzelf had gestoken. Later heeft zij aangifte gedaan en verklaard dat zij door verdachte is gestoken. Deze inconsistenties maken de aangifte niet zonder meer onbetrouwbaar. [slachtoffer 1] heeft immers ook een reden gegeven waarom zij pas later aangifte heeft gedaan, namelijk dat zij bang was voor de gevolgen. Het is voor de rechtbank wel een reden om terughoudend met de aangifte om te gaan. Het komt dus aan op de vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is voor de verklaring van aangeefster dat verdachte haar heeft gestoken.
De verklaring van de zus van aangeefster, [getuige 3] , acht de rechtbank onvoldoende ondersteunend, omdat zij bij de politie en rechter-commissaris wisselend heeft verklaard over de mentale toestand van aangeefster.
Verder wordt de verklaring van aangeefster onvoldoende ondersteund door het beschreven letsel, omdat deze letselbeschrijving ook het door verdachte geschetste scenario ondersteunt, namelijk dat aangeefster zichzelf heeft gestoken. Ook de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn niet voldoende onderscheidend, omdat zij enkel hebben verklaard dat een ruzie tussen verdachte en aangeefster heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 1] heeft gestoken en zal verdachte derhalve vrijspreken van het in zaak C tenlastegelegde.
Vrijspraak zaak D
Verdachte is op 20 december 2025 in Rotterdam samen met de medeverdachte aangehouden. Hij was op dat moment de bestuurder van de auto en de medeverdachte was de bijrijder. De medeverdachte is eigenaar van de auto. Na een doorzoeking in de auto blijkt er in het dashboardkastje een vuurwapen met bijbehorende munitie te zitten.
Het Nederlands Forensisch Instituut heeft DNA-onderzoek verricht aan het sporenmateriaal en hiervan een rapport opgemaakt.
Op de bemonstering van de trekker en ruwe delen van het vuurwapen (AARN1787NL#01) is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Op de binnenzijde van de loop van het vuurwapen (AARN1788NL#01) is een DNA-mengprofiel aangetroffen.
Ten aanzien van de trekker en ruwe delen van het vuurwapen geldt dat het DNA-mengprofiel ongeveer 200 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.
Ten aanzien van de binnenzijde loop van het vuurwapen geldt dat het DNA-mengprofiel ongeveer 380 duizend keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van
verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.
Verdachte heeft verklaard dat hij veel met medeverdachte omgaat en dat zijn DNA wellicht door secundaire overdracht op het wapen terecht is gekomen. Hij wist niet dat er op die avond een vuurwapen in het dashboardkastje van de auto lag.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat verdachte het wapen en de bijbehorende munitie bewust aanwezig heeft gehad op de tenlastegelegde datum. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Hoewel de DNA-resultaten een sterke aanwijzing vormen dat verdachte een van de donoren van het aangetroffen DNA is, kan daaruit niet worden afgeleid op welke wijze en op welk moment het DNA op het wapen terecht is gekomen. Het alternatieve scenario van verdachte, te weten dat zijn DNA anders dan door primaire overdracht op het vuurwapen terecht is gekomen, vindt de rechtbank om die reden niet zonder meer onaannemelijk. Daar komt bij dat verdachte niet kan worden gelinkt aan het incident waarbij het vuurwapen aan aangever [aangever] is getoond. Het signalement wat door [aangever] is genoemd is niet specifiek en wanneer een foto aan hem werd getoond, herkent hij verdachte niet honderd procent als de bestuurder van de auto in die nacht. Nu het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat waaruit volgt dat verdachte wist van de aanwezigheid van het wapen en de munitie en daarover de feitelijke beschikkingsmacht had, is niet bewezen dat verdachte deze voorhanden heeft gehad op die bewuste avond.
Zaak A
De rechtbank is, eveneens met de officier van justitie en raadsman, van oordeel dat geen sprake is van een (poging) zware mishandeling.
Er is geen letselverklaring en het omschreven letsel levert geen zwaar lichamelijk letsel op. Daarnaast blijkt uit het dossier dat aangeefster één keer door verdachte op haar neus is geslagen. De rechtbank vindt dat het één keer in het gezicht slaan van het slachtoffer in beginsel geen voorwaardelijk opzet meebrengt op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Die gedraging is op zichzelf daarvoor onvoldoende en er zijn geen bijkomende omstandigheden bekend geworden die maken dat dit anders wordt.
Wel vindt de rechtbank bewezen dat verdachte aangeefster heeft mishandeld zoals meer subsidiair is tenlastegelegd. Omdat verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II aan dit vonnis. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en de raadsman, is het niet nodig dit oordeel, behoudens de motivering van het bestanddeel “levensgezel”, verder te motiveren.
Levensgezel
De rechtbank stelt ook vast dat aangeefster ten tijde van het incident de levensgezel van verdachte was. Om te kunnen spreken van een levensgezel moet sprake zijn van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Dat daarvan sprake is, leidt de rechtbank af uit de verklaringen van aangeefster en verdachte. Aangeefster heeft verklaard dat zij op het moment van de mishandeling een relatie had met verdachte en dat hij vaak bij haar sliep. Ook verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het feit 11 maanden een relatie met aangeefster had. Op basis daarvan stelt de rechtbank vast dat aangeefster op het moment van de mishandeling de levensgezel van verdachte was.
Zaak B
Feiten en omstandigheden
Op 23 maart 2026 doet [slachtoffer 2] aangifte en verklaart hierbij onder meer als volgt. Op 22 maart 2026 ontving zij berichten van verdachte dat hij wilde afspreken. Hij had geen slaapplek en zij moest eten voor hem regelen. Verdachte vond dat zij meer moeite voor hem moest doen. Aangeefster heeft gereageerd dat zij even moest kijken of het kon en heeft later gezegd dat het niet ging lukken. Hierop werd verdachte boos en heeft hij een filmpje gestuurd waarin zij en verdachte seks hadden. Verdachte stuurde haar spraakberichten waarin hij vertelde dat hij het filmpje door ging sturen als aangeefster niet haar locatie zou sturen. Hij stuurde de volgende berichten “k wou t goed weetje", "alleen je finessed me elke keer", "kom met iets waar ik wst aan heb", "Anders bericht ik nu fotos van ik en jou in die osso". [slachtoffer 2] wilde haar locatie niet sturen. Verdachte stuurde daarop de volgende berichten “Laat me xien dat je daar bent nu dsn", "Ga me niet schets zet je loca aan ook", "Ahhh beter doengwn wat ik je zeg ma, Ik ga dcht dijpen", "Denk ik dreig k doe shit echt”. Uiteindelijk heeft [slachtoffer 2] haar locatie gestuurd, omdat zij bang was dat verdachte de filmpjes zou versturen.
Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij deze berichten heeft gestuurd, maar dat hij het filmpje niet heeft gestuurd en ook niet van plan was deze te versturen.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dwang. Door de gecreëerde situatie, namelijk het dreigen van het sturen van een seksfilmpje, heeft [slachtoffer 2] zich bedreigd en gedwongen gevoeld om gehoor te geven aan hetgeen haar werd opgedragen, namelijk het sturen van haar locatie. Gelet op deze omstandigheden staat vast dat de gedraging van [slachtoffer 2] niet vrijwillig heeft plaatsgevonden en dat het handelen van verdachte wederrechtelijk was. Dat het filmpje niet daadwerkelijk is gestuurd, maakt niet dat er geen sprake is van een voltooid delict, nu aangeefster haar locatie heeft verstuurd en daarmee daadwerkelijk is gedwongen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
in zaak A
Feit 1 meer subsidiair
op 28 februari 2026 te Amsterdam, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld, door voornoemde [slachtoffer 2] tegen de neus te stompen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
in zaak B
Feit 2 primair
op 22 maart 2026, te Utrecht, een ander, te weten [slachtoffer 2] , zijn ex-partner,
door bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, voornoemde [slachtoffer 2] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, door voornoemde [slachtoffer 2] te dwingen haar locatie met hem, verdachte, te delen en in contact te blijven met hem, verdachte, en hierbij te dreigen seksueel beeldmateriaal van voornoemde [slachtoffer 2] te verspreiden.
5. De strafbaarheid van het feit en van verdachte
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er is een Pro Justitia-rapportage opgemaakt over verdachte die hierna onder rubriek 6 behandeld wordt. Uit die rapportage volgt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de delicten. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de straf
Strafeis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf dienen daarnaast de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te worden verbonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht in de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Daarnaast heeft hij verzocht niet een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, eventueel aan te vullen met een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Dit soort (huiselijk) geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar de ervaring leert dat slachtoffers daarvan ook geestelijk nog geruime tijd hinder en klachten kunnen ondervinden. Daarnaast heeft verdachte zich tijdens het in het kader van een schorsing aan hem opgelegde contactverbod schuldig gemaakt aan het uitoefenen van dwang ten aanzien van zijn ex-vriendin. Verdachte heeft haar meerdere malen benaderd. Verdachte heeft met zijn manier van handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Verdachte heeft daarmee doelbewust gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 27 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 20 juli 2026, opgesteld door [psycholoog] , GZ-psycholoog.
De psycholoog komt – kort gezegd – tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van ADHD, een stoornis in het cannabisgebruik (ernstmaat matig) en een bedreigende ontwikkeling van de persoonlijkheidsstructuur met antisociale, narcistische en borderline tendensen. Het gebruik van cannabis voorafgaand aan het tenlastegelegde is niet objectief vast te stellen. De ADHD en de bedreigde ontwikkeling van de persoonlijkheidsstructuur waren wel aanwezig ten tijde van de tenlastelegging. De psycholoog adviseert om de mishandelingen van zijn toenmalige vriendinnen in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het dreigen met het verspreiden van naaktbeelden adviseert de psycholoog volledig aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusie en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van zaak A verminderd toerekeningsvatbaar achten.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils reclassering van 20 augustus 2026, opgemaakt door [naam] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Uit de beschikbare dossierinformatie maakt de reclassering op dat het zowel de jeugdbescherming als de jeugdreclassering in het verleden niet is gelukt om voldoende grip op verdachte te krijgen. Verdachte maakt momenteel een oprechte indruk als het gaat om zijn veranderwens en probeert vanuit detentie al verschillende zaken op orde te krijgen, waaronder zijn inschrijving voor een opleiding. Tegelijkertijd valt op dat verdachte veel behoefte heeft aan duidelijkheid, bijvoorbeeld ten aanzien van zijn toekomstige woonsituatie. Dit is begrijpelijk, gezien het ontbreken van een sociaal netwerk
waarop hij kan terugvallen. Daar het leven van verdachte de afgelopen jaren werd gekenmerkt door instabiliteit en impulsiviteit en hij in de periode voorafgaand aan zijn detentie grotendeels zelfstandig en zonder structurele begeleiding heeft geleefd, zal de tijd moeten uitwijzen of hij de structuur en mate van verantwoordelijkheid van een maatschappelijk aanvaarbare levensstijl op langere termijn kan volhouden. Met een stevig pakket aan zowel controlerende voorwaarden als interventies gericht op gedragsverandering, wil de reclassering verdachte begeleiden naar een dergelijk bestaan. De kans op risico wordt thans hoog ingeschat.
De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij de volgende bijzondere voorwaarden te stellen: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod (met [slachtoffer 2] ), locatieverbod (met elektronisch toezicht), locatiegebod (met elektronisch toezicht) en dagbesteding. De rechtbank vindt het van belang om aan het locatiegebod en locatieverbod een maximale duur te verbinden van een jaar; dat geldt ook voor de elektronische monitoring.
Jeugdstrafrecht?
Ten tijde van het plegen van de feiten was verdachte 20 jaar oud. Bij de veroordeling van een jongvolwassene tot 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast, indien omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan, daartoe aanleiding geven. Gelet op het advies van de reclassering en hetgeen op de zitting is besproken over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat pedagogische beïnvloeding van verdachte niet meer tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen.
Straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de
straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met het feit zaak A verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.
De rechtbank acht het strafverzwarend dat verdachte ten tijde van het plegen van feit B in een schorsing liep en een contactverbod met het slachtoffer had. Ook de dwingende manier waarop verdachte contact zocht met het slachtoffer neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, waaronder het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is - gelet op hetgeen de reclassering heeft overwogen over het recidivegevaar - van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna genoemde bijzondere voorwaarden dadelijke uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
Nu er aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij zal in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
8. De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 10/090672-24
De rechtbank is van oordeel dat onderhavige bewezenverklaarde feiten niet in de proeftijd van de veroordeling met parketnummer 10-090672-24 zijn gepleegd. De rechtbank zal daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot tenuitvoerlegging.
9. De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 10/191276-23
De rechtbank zal de officier van justitie in haar vordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling met parketnummer 10/191276-23 niet-ontvankelijk verklaren. Deze vordering is immers op 2 april 2024 toegewezen door de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam. Deze beslissing is onherroepelijk.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 57, 284, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A primair en subsidiair, zaak C en zaak D tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
T.a.v zaak A meer subsidiair
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;
T.a.v zaak B primair
een ander door bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen (tussen 09:00 en 12:00 uur) nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Reclassering [plaats] op het adres [adres 2] .
- Ambulante behandeling
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, delict preventie, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in woonlocatie [naam woonlocatie] , of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
- Contactverbod
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2005.
- Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
Dat veroordeelde op grond van de in de rapportage genoemde argumenten wordt verboden zich gedurende een periode van maximaal een jaar of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht in Amsterdam-Zuidoost te begeven.
Veroordeelde zal een kaart ontvangen waarin het verboden gebied staat ingetekend.
Als de Reclassering het noodzakelijk acht om voor een doelmatige uitvoering van het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden de tijd of locatie aan te passen dan zal zij hierover overleggen met de opdrachtgever. Het locatieverbod zal worden gecontroleerd door middel van een elektronisch monitoringmiddel.
- Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Dat veroordeelde op grond van de in de rapportage genoemde argumenten geboden wordt zich gedurende een periode van maximaal een jaar of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht, zich zal bevinden in woonlocatie [naam woonlocatie] waarbij de veroordeelde zich onder elektronische monitoring zal stellen ter nakoming van genoemd locatieverbod.
Bij de start dient veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur. De reclassering kan tijdens de genoemde periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding
Als de Reclassering het noodzakelijk acht om voor een doelmatige uitvoering van het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden de tijd of locatie aan te passen dan zal zij hierover overleggen met de opdrachtgever.
Het locatiegebod zal worden gecontroleerd door middel van een elektronisch monitoringmiddel.
- Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 10/090672-24
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/090672-24.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 10/191276-23
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10/191276-23.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 september 2026.
[..]
Bijlage II – Bewijsmiddelen
Zaak A:
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen.
Zaak B
1. De verklaring die verdachte ter terechtzitting op 16 september 2026 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven;
Het klopt dat ik de berichten heb gestuurd en heb gedreigd het seksfilmpje te versturen.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL0900-2026098648-4 d.d. 23 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina 18 – 22 (dig.);
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven:
Op 22 maart 2026 ontving ik wederom berichten van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) dat hij wilde afspreken. [verdachte] vertelde dat hij geen slaapplek had en ik voor hem eten moest regelen. [verdachte] vond dat ik meer moeite voor hem moest doen. Ik reageerde hierop dat ik even moest kijken. Later had ik een bericht gestuurd dat het mij niet ging lukken. [verdachte] werd weer boos. Ik zag dat [verdachte] mij een filmpje stuurde. Ik zag dat het een filmpje was waarin [verdachte] en ik seks hadden. Het filmpje is opgenomen in de woning van mijn vriendin. Mijn vriendin is niet daarvan op de hoogte dat ik seks met [verdachte] heb gehad
in haar woning. Ik weet dat mijn vriendin boos ging worden, als zij te horen kreeg
dat ik seks had in haar woning. [verdachte] stuurde mij spraakberichten, waarin hij vertelde dat hij het filmpje ging doorsturen naar mijn vriendin. Hij stuurde mij de volgende berichten:
"k wou t goed weetje", "alleen je finessed me elke keer", "kom met iets waar ik wst
aan heb", "Anders bericht ik nu fotos van ik en jou in die osso"
[verdachte] bedoelde hiermee dat ik het moest compenseren door bijvoorbeeld eten te brengen
of geld hem aan te geven. Als ik dit niet doe, dan stuurde hij het filmpje door. De
gevolgen daarvan was dat ik ruzie krijg met mijn vriendin en dan geen slaapplek meer
had. Ik bleef met [verdachte] in gesprek, omdat ik bang was dat hij het filmpje daadwerkelijk ging versturen. Ik moest van [verdachte] mijn locatie naar hem doorsturen, ik wilde dit niet doen. Hij zei toen het volgende:
"Laat me xien dat je daar bent nu dsn", "Ga me niet schets zet je loca aan ook",
"Ahhh beter doengwn wat ik je zeg ma, Ik ga dcht dijpen", "Denk ik dreig k doe shit
echt"
Uiteindelijk had ik mijn locatie gestuurd, omdat ik bang was dat hij de filmpjes ging
versturen.