ECLI:NL:RBAMS:2026:9991

ECLI:NL:RBAMS:2026:9991

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 13-240016-26 (EAB II)
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB Polen. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW. Heropening van het onderzoek ter zitting om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen of de opgeëiste persoon in het kader van de procedure ook daadwerkelijk een adres heeft opgegeven en zo ja, of de oproep voor de zitting vervolgens naar het adres dat hij opgegeven had, is verzonden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-240016-26 (EAB II)

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering van 24 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 augustus 2026 door the Piotrków Trybunalski Regional Court (Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalskim), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Polen),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres 1] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S. de Goede, waarnemend voor mr. J.C. Sneep, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

Het EAB in deze zaak is gelijktijdig behandeld met het EAB in de zaak met parketnummer

13-130127-26 (EAB I).

De beslistermijn in deze zaak is aangevangen op 26 augustus 2026.

De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel onder verschillende voorwaarden, waaronder handhaving van de door de opgeëiste persoon betaalde borgsom van € 2.000,-.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Piotrków Trybunalski Regional Court van 25 maart 2026 met kenmerk III K 49/25.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf nog geheel ondergaan in Polen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting die tot de uitspraak heeft geleid en dat geen van de uitzonderingen van artikel 12 OLW zich voordoet. In het EAB en de aanvullende informatie is slechts aangegeven dat sprake zou zijn geweest van een geldige betekening, omdat de oproeping voor de zitting zou zijn verstuurd naar het bij de Poolse autoriteiten bekende adres van de opgeëiste persoon. Er is echter geen reden om in dit geval af te zien van weigering. Onduidelijk is namelijk wanneer de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en of en zo ja, wanneer hij een adres heeft opgegeven in deze procedure.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing, maar kan van toepassing daarvan worden afgezien. Uit de aanvullende informatie van 27 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens de voorbereidende procedure op 19 januari 2023 een adresinstructie heeft ontvangen. Desalniettemin heeft de opgeëiste persoon aan de Poolse autoriteiten niet doorgegeven dat hij naar Nederland vertrok. De oproep voor de zitting is vervolgens verzonden naar het adres in [geboorteplaats] in Polen. Op de zitting is duidelijk geworden dat de moeder van de opgeëiste persoon aldaar nog steeds woonachtig is. Het komt voor de rekening van de opgeëiste persoon dat hij de oproep voor de zitting dan eventueel niet ontvangen heeft.

Oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van de door het openbaar ministerie op 20 augustus 2026 gestelde vragen, heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 27 augustus 2026 in een brief het volgende medegedeeld:

“- [opgeëiste persoon] known residential address in Poland is: [adres 2] , and this is the address to which the correspondence relating to the date of the hearing at the Piotrków Trybunalski Regional Court in case III K 49/25, scheduled for 11 March 2026, was sent,

- in the course of the preliminary proceedings, [opgeëiste persoon] was informed of the rights and obligations of a suspect in criminal proceedings, including, amongst other things, the obligation to notify the authorities of any change of residence, (…)

- [opgeëiste persoon] was made aware of the above instructions on 19 January 2023”.

De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De rechtbank stelt op grond van het EAB verder vast dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren.

De rechtbank leidt uit het EAB af dat de zitting plaatsvond op 11 maart 2026 waarna op 25 maart 2026 vonnis is gewezen. De “notice” om de oproep voor de zitting op te halen bij het postkantoor, werd twee keer op zijn adres achtergelaten, hetgeen ertoe leidde dat de oproep voor de zitting van 11 maart 2026 werd geacht rechtsgeldig te zijn betekend (“was deemed good service”).

Uit de informatie van 27 augustus 2026 blijkt voorts dat de correspondentie over de zitting gestuurd werd naar het adres dat bekend was als het woonadres (“residential address”) van de opgeëiste persoon in Polen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon in de voorbereidende procedure – meer precies: op 19 januari 2023 – een adresinstructie gekregen. Daarbij is hij geïnformeerd over de verplichting om de autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging. De rechtbank kan op grond van de verstrekte informatie – hoewel het openbaar ministerie daar op 20 augustus 2026 expliciet naar heeft gevraagd – echter niet vaststellen of de opgeëiste persoon in het kader van deze procedure ook daadwerkelijk een adres heeft opgegeven en zo ja, of de oproep voor de zitting vervolgens naar het adres dat hij opgegeven had, is verzonden.

De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:

“Heeft de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek/de procedure in de betreffende strafzaak zijn adres aan de Poolse autoriteiten doorgegeven en zijn de oproepingen voor de rechtszitting naar dit adres verzonden?”

5. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie; en

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 geformuleerde vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.

VERLENGT op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW, de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen met 30 dagen (eindigend op 23 november 2026).

BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk voor 9 november 2026, tegelijkertijd met de zaak met parketnummer 13-130127-26 (EAB I).

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.C.M. Hamer

Griffier

  • mr. M.L. Kole

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand