ECLI:NL:RBAMS:2026:9994

ECLI:NL:RBAMS:2026:9994

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 13/111769-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan een reeks ernstige feiten. Hij heeft vier verschillende slachtoffers wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd en afgeperst. Bij twee slachtoffers heeft verdachte zich daarnaast schuldig gemaakt aan computervredebreuk door zonder toestemming in te loggen in hun online bankieromgeving. Ten slotte heeft verdachte zich ten aanzien van één slachtoffer schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opgelegd, waarvan een jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd voor de duur van drie jaren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/111769-26

Datum uitspraak: 8 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen op tegenspraak naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. Hendriksen, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mevrouw [medewerker] , medewerker van Slachtofferhulp, naar voren is gebracht namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .

2. Tenlastelegging

Aan verdachte, hierna: [verdachte] , is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1: wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij 1] in de periode van 13 april 2026 tot en met 14 april 2026 te Amsterdam;

feit 2: afpersing van [benadeelde partij 1] in de periode van 13 april 2026 tot en met 14 april 2026 te Amsterdam;

feit 3: computervredebreuk in de periode van 13 april 2026 tot en met 14 april 2026 te Amsterdam;

feit 4: wederrechtelijke vrijheidsberoving van [naam 1] in de periode van 9 juli 2025 tot en met 10 juli 2025 te Koog aan de Zaan, Amsterdam, Oostzaan en/of Zaandam;

feit 5: afpersing van [naam 1] in de periode van 9 juli 2025 tot en met 12 juli 2025 te Koog aan de Zaan, Amsterdam, Oostzaan en/of te Zaandam;

feit 6: wederrechtelijke vrijheidsberoving van [naam 2] in de periode van 24 maart 2026 tot en met 25 maart 2026 te Amsterdam;

feit 7: afpersing van [naam 2] in de periode van 24 maart 2026 tot en met 25 maart 2026 te Amsterdam;

feit 8: computervredebreuk in de periode van 24 maart 2026 tot en met 25 maart 2026 te Amsterdam;

feit 9: wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij 2] in de periode van 5 april 2026 tot en met 6 april 2026 te Amsterdam en/of Zaandam;

feit 10: afpersing van [benadeelde partij 2] in de periode van 5 april 2026 tot en met 6 april 2026 te Amsterdam en/of Zaandam;

feit 11: diefstal met geweld tegen [benadeelde partij 2] in de periode van 5 april 2026 tot en met 6 april 2026 te Amsterdam en/of Zaandam.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het gebruik van een wapen bij de feiten 6 en 7. Voor dat onderdeel verzoekt de officier van justitie verdachte partieel vrij te spreken, omdat aangever [naam 2] daarover wisselend heeft verklaard.

De officier van justitie heeft de rechtbank tevens verzocht om, indien nodig, gebruik te maken van een schakelbewijsconstructie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van de onder feit 1 ( [benadeelde partij 1] ), feit 4 ( [naam 1] ), feit 6 ( [naam 2] ) en feit 9 ( [benadeelde partij 2] ) tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberovingen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat geen sprake was van een feitelijke verhindering om zich aan de situatie te onttrekken.

Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de onder feit 2 ( [benadeelde partij 1] ), feit 5 ( [naam 1] ), feit 7 ( [naam 2] ) en feit 10 ( [benadeelde partij 2] ) tenlastegelegde afpersingen. Volgens de raadsman is het enkele voorhoud om iemand te exposen of de politie in te schakelen onvoldoende om te kwalificeren als geweld of dreiging met geweld.

Tevens heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de onder feit 3 en feit 8 tenlastegelegde computervredebreuk, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Tot slot heeft de raadsman de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van de onder feit 11 ( [benadeelde partij 2] ) tenlastegelegde diefstal met geweld, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Behalve de aangifte, wordt in het dossier niet gesproken over het wegnemen van de telefoon. Mocht de diefstal worden bewezen, dan meent de raadsman dat slechts sprake is van een eenvoudige diefstal; in de aangifte wordt gesproken over het afpakken van de telefoon maar blijkt niet van geweld.

Het oordeel van de rechtbank

Met het oog op de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank de feiten in chronologische volgorde behandelen, te beginnen met het oudste feit.

De zaak [naam 1]

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 13 juli 2025 heeft [naam 1] (hierna: aangever) aangifte gedaan en verklaard dat hij op 7 juli 2025 werd benaderd door een Snapchataccount met de naam [accountnaam 1] . Op 9 juli 2025 vroeg de gebruiker van dit account hem om af te spreken op het adres [adres] . Toen aangever op 9 juli 2025 omstreeks 23.00 uur ter plaatse kwam in Koog aan de Zaan, zag hij drie mannen op hem aflopen. Aangever hoorde vervolgens dat een van de mannen onder andere het volgende tegen hem zei: “Weet jij dat het familie van mij is? Je wordt al een tijdje in de gaten gehouden. Er zit ook een tracker onder jouw auto. We willen jou hier weg hebben. De buurt wordt onrustig dus je moet met ons mee lopen naar jouw auto. Daar willen wij met jou praten om een oplossing te zoeken. Wat is je oplossing hiervoor? Als we geen oplossing kunnen vinden dan worden de gesprekken die jij hebt gevoerd openbaar gemaakt”, althans woorden van gelijke strekking.

De drie mannen liepen met aangever mee naar zijn auto en stapten in. Zij gaven aan dat een financiële oplossing de beste oplossing was. Aangever moest vervolgens naar het Holland Casino in Amsterdam Sloterdijk rijden, waar zij op 10 juli 2025 omstreeks 00.00 uur aankwamen. Een van de mannen gaf aan dat aangever daar grote coupures moest pinnen. Aangever pinde daarop driemaal een bedrag van € 250,-, waarna hij niet meer kon pinnen en de mannen boos werden. Aangever heeft het gepinde geld vervolgens aan de mannen overhandigd en daarna reden zij naar Jack’s Casino in Oostzaan. Omdat dit casino gesloten bleek, reden zij door naar het Hommerson Casino in Zaandam. Daar liep aangever omstreeks 01.00 uur naar binnen en pinde hij € 200,-. Ook dit bedrag heeft hij aan de mannen overhandigd.

Vervolgens reden zij opnieuw naar het Holland Casino te Amsterdam Sloterdijk. Daar pinde aangever wederom driemaal, totdat hij niet meer kon pinnen omdat zijn bankpas door de bank werd geblokkeerd. Ook dit geld heeft hij aan de mannen afgegeven. Vervolgens moest aangever samen met hen wachten totdat de pinautomaten weer open zouden gaan. Ook heeft aangever, wederom op initiatief van de mannen, contact gezocht met zijn bank om zijn bankpas te deblokkeren.

Omstreeks 07.00 uur opende een pinautomaat in Amsterdam Noord. Aangever reed samen met de mannen naar die pinautomaat waar hij vier keer € 800,- heeft gepind, waarna zijn pinpas opnieuw werd geblokkeerd. Nadat aangever opnieuw contact had met de bank en zijn pas weer werd gedeblokkeerd, moest aangever bij dezelfde pinautomaat nog tweemaal € 800,- pinnen. Ook deze bedragen heeft hij aan de drie mannen overhandigd. Aangever hoorde de mannen hierna zeggen dat hij op een later moment de laatste € 800,- ook aan hen moest overdragen, vermeerderd met rente. Hierna heeft aangever de mannen afgezet en gaven zijn aan op een later moment weer contact met hem te zullen zoeken.

Op 12 juli 2025 omstreeks 22.00 uur werd aangever gebeld. Hij herkende daarbij de stemmen van twee van de mannen en kreeg de opdracht om naar Amsterdam-Zuidoost te gaan om over het geldbedrag te praten. Aangever had intussen € 1.650,- voor de mannen gepind en met dit geldbedrag is hij naar de afgesproken locatie gereden. Daar stapten de drie mannen bij hem in de auto. Zij reden vervolgens naar een parkeerterrein in de buurt van het Kraaiennest, waar hij € 1.650,- aan de mannen heeft overhandigd. In opdracht van de mannen heeft aangever in de buurt nogmaals € 2.500,- gepind en dit bedrag eveneens aan hen gegeven. In totaal heeft aangever een bedrag van € 12.300,- aan de mannen afgegeven.

Naar aanleiding van aanvullende vragen van een verbalisant, heeft aangever verklaard dat hij met de mannen op 10 juli 2025 vóór 06.00 uur naar BP Kadoelen is gereden. Een van hen heeft daar twee kaasbroodjes, koffie, chocolademelk en energiedrank gehaald. [verdachte] wordt door een verbalisant herkend op een foto die is gemaakt op 10 juli 2025 om 05.37 uur, waarop een omgeving te zien is die lijkt op een tankstation. De rechtbank begrijpt dat dit de locatie BP Kadoelen betreft.

De auto van aangever is vervolgens onderzocht op DNA-sporen, waarbij een DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren is aangetroffen op de hendel van het rechtervoorportier, met als mogelijke donor [medeverdachte] . Uit onderzoek volgt dat de resultaten van het onderzoek een miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer de bemonstering DNA van onder meer [medeverdachte] bevat dan wanneer dit niet het geval is.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 24 september 2026 bekend dat hij samen met zijn jongere broer, medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), aanwezig was bij de afspraak met aangever en dat het plan was om aangever mee te delen dat hij zou worden ‘exposed’. Van tevoren was bij [verdachte] bekend dat het de bedoeling was om aangever te laten betalen. [verdachte] heeft vervolgens tegen aangever gezegd dat hij ‘exposed’ zou worden en is met hem naar zijn auto gelopen en ingestapt om daar te gaan praten. Vervolgens zijn zij naar het casino gereden. Ook bij de tweede afspraak met aangever was [verdachte] naar eigen zeggen aanwezig.

Bewezenverklaring wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 4)

De rechtbank moet als eerste beoordelen of de gedragingen van [verdachte] het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving opleveren. Van een wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien de dader iemand op een plaats doet verblijven, waarvan of waaruit deze persoon zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen. Niet vereist is de absolute onmogelijkheid voor de persoon om zich fysiek te verplaatsen. Ook als verdachte een zodanige situatie heeft gecreëerd dat ten aanzien van het slachtoffer de dwang is ontstaan om te blijven, is sprake van een wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] en [medeverdachte] een zodanige situatie hebben gecreëerd dat ten aanzien van aangever de dwang is ontstaan om te blijven. Daarbij is in het bijzonder van belang dat aangever, nadat hij door meerdere mannen in de late avonduren onverhoeds werd benaderd en werd geconfronteerd met de mededelingen dat hij al enige tijd werd gevolgd en dat er een tracker onder zijn auto was geplaatst, vervolgens werd bedreigd met het openbaar maken van zijn gesprekken met een minderjarige en met teksten als ‘we willen jou hier weg hebben’. Onder deze omstandigheden is hij samen met de mannen naar zijn auto gelopen. De mannen zijn vervolgens bij hem in de auto gestapt en hebben hem gedurende meerdere uren in de nacht naar verschillende casino’s en pinautomaten laten rijden. Ook heeft hij urenlang met hen in de auto moeten wachten totdat de pinautomaten opengingen en de blokkades van zijn pinpas ongedaan werden gemaakt. Het grootste deel van de tijd was aangever fysiek niet in staat om zich uit de situatie te verwijderen omdat hij met de mannen in de auto zat.

Dat aangever daarbij zelf heeft gereden en een aantal maal uit de auto is gestapt om geld te pinnen, maakt voorgaande conclusie dat sprake is van vrijheidsberoving niet anders. Weliswaar was aangever toen fysiek in staat om zich te verplaatsen, echter [verdachte] en [medeverdachte] , en de derde aanwezige hebben door alle hiervoor genoemde gedragingen een dermate dreigende situatie gecreëerd voor aangever dat sprake was van geestelijke dwang. De rechtbank is van oordeel dat die geestelijke dwang resulteerde in een onmiddellijke onmogelijkheid zich vrij te verplaatsen en zich (dus) te onttrekken aan de situatie.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Bewezenverklaring afpersing (feit 5)

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de gedragingen van [verdachte] het medeplegen van afpersing opleveren. Om tot een bewezenverklaring van afpersing als bedoeld in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht te komen, moet worden bewezen dat iemand door middel van geweld of bedreiging met geweld is gedwongen tot afgifte van enig goed en dat verdachten het oogmerk hadden om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Onder bevoordelen als bedoeld in dit artikel wordt volgens vaste rechtspraak verstaan iedere verbetering van de positie, mits deze verbetering economische waarde heeft.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] het oogmerk had zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Het was immers van tevoren bekend dat het de bedoeling van de afspraak was om aangever te laten betalen, aldus de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting.

Om tot een bewezenverklaring van afpersing te kunnen komen moet eveneens vast komen te staan dat daarbij sprake is geweest van (enige) vorm van geweld of een bedreiging met geweld. De rechtbank oordeelt, anders dan de verdediging, dat dit het geval is geweest. Daarbij neemt de rechtbank met name de omstandigheden van de vrijheidsberoving in aanmerking. De rechtbank overweegt dat de duur van de vrijheidsberoving, het tijdstip waarop deze plaatsvond, de aanwezigheid van meerdere personen en de gedane uitingen, in onderlinge samenhang bezien, aan de situatie een zodanig geweldskarakter geven dat dit als geweld dan wel bedreiging met geweld in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat aangever het geld vrijwillig heeft afgegeven. Dat het volgens verdachte enkel de bedoeling is geweest te dreigen met ‘exposure’ en dus niet met geweld doet niet af aan het feitelijke geweldskarakter van hun gedragingen en aan het feit dat die gedragingen ook als (dreiging met) geweld door aangever zijn opgevat (en opgevat mochten worden).

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 4 en 5

De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken van het versperren van de weg van aangever en de volgende uitlatingen: “Weet jij waar jij mee te maken hebt? Wij zijn leden van de Satudarah-groep. (…) dan dragen wij dit over aan de andere leden en” en “Ook ga jij dan gesprekken voeren met de andere leden.” Dit wordt nadrukkelijk en consistent ontkend en de rechtbank vindt in het dossier, naast de aangifte, onvoldoende steun voor de omstandigheid dat deze uitlatingen daadwerkelijk zijn gedaan.

De overige tenlastegelegde uitlatingen acht de rechtbank wel bewezen. Deze uitlatingen zijn deels bekend en deels te plaatsen in de context van het dreigen met het ‘exposen’ van aangever.

De zaak [naam 2]

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 14 april 2026 heeft [naam 2] (hierna: aangever) aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij via Snapchat in contact was gekomen met [naam 3] . Zij had hem gevraagd om met haar af te spreken. Op 24 maart 2026 is aangever vanuit België naar het door haar opgegeven adres de [adres] gereden om haar te ontmoeten. Zij hadden die dag om 23.30 uur afgesproken.

Eenmaal ter plaatse kreeg aangever [naam 3] niet te pakken. Toen hij vervolgens in zijn auto stapte, kwamen vier mannen tevoorschijn. Twee van hen gingen in de deuropening van zijn auto staan. Zij vroegen aangever of hij het normaal vond om met een vijftienjarig meisje af te spreken. Drie van de mannen stapten vervolgens in de bus van aangever. Een van hen vroeg hoe zij dit “als mannen onderling” zouden oplossen. Aangever vertelde daarop dat hij € 500,- contant bij zich had. Dit geld heeft hij aan de mannen afgegeven. Vervolgens werd aangever gevraagd zijn telefoon af te staan en zijn vergrendelcode te geven.

De mannen bekeken de apps op zijn telefoon en vroegen hem om de pincodes van zijn bankpassen. Aangever gaf daarop de pincode van zijn bankpas, evenals de toegangscodes van zijn ING-internetbankieren. De mannen logden vervolgens in op zijn ING-internetbankieren. Zij zagen dat aangever voor ongeveer € 12.000,- aan aandelen had, maar aangever kon daar op dat moment niet over beschikken. Na ruim een uur werd aangever op de achterbank van een zwarte Renault Clio geplaatst. Aan weerszijden van hem zaten onbekende mannen. Tegen aangever werd gezegd dat zij een stukje zouden gaan rijden, waarna de auto wegreed. Daarna hebben de mannen de auto geparkeerd en deden zij er alles aan om het geld van de rekening van aangever te halen.

Ze stapten één voor één uit de auto om te overleggen en wisselden elkaar af zodat er altijd iemand naast aangever zat. Aangever werd in de auto door een van de mannen gefilmd tijdens het voeren van een WhatsApp-videogesprek. Ook zijn foto’s gemaakt van een document waarop zijn adres stond vermeld en van de Whatsapp-profielen van zijn moeder en vrienden. Tegen aangever werd tot slot gezegd dat de mannen naar de politie zouden gaan. Toen de mannen doorhadden dat het geld op geen enkele manier afhandig gemaakt kon worden, werd aangever tussen 02.30 uur en 02.45 weer terug naar zijn auto gebracht.

Op de telefoon die is aangetroffen bij [medeverdachte] is op 30 maart 2026 een gesprek aangetroffen waarin ‘ [naam 4] ’ tegen ‘ [medeverdachte] ’ zegt ''Heb je niet spijt van die be chappie'' en ''Shi 12k gemist'', waarop ‘ [medeverdachte] ’ onder andere antwoordt ''Blijft geen kk moer over'' en ''Voor alles bij elkaar kunnen we gw 6/7 jaar weg zijn he''. De rechtbank begrijpt dat deze berichten over aangever gaan, omdat aangever de Belgische nationaliteit heeft en € 12.000,- aan aandelen in zijn bezit had. Diezelfde telefoon maakt op 24 maart 2026 tussen 23.02 en 23.32 uur gebruik van een cell-id gelegen aan de [adres] . Op 25 maart 2026 tussen 01.07 en 02.07 uur komen twee registraties voor met een cell-id gelegen aan de [adres] . Het adres [adres] , waarover aangever heeft verklaard, valt binnen het bereik van deze beide cell-id’s.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 24 september 2026 bekend dat hij aanwezig was bij de afspraak met aangever en dat hij met hem heeft gesproken over ‘exposen’. Hij heeft met aangever in de auto gezeten, waarbij aangever achterin zat.

Bewezenverklaring wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 6)

De rechtbank moet als eerste beoordelen of de gedragingen van [verdachte] het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving opleveren.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] met anderen een zodanige situatie heeft gecreëerd dat aangever is gedwongen om te blijven. Daarbij is in het bijzonder van belang dat aangever, nadat hij in de late avonduren onverhoeds door meerdere mannen werd benaderd en ingesloten, werd geconfronteerd met het feit dat hij met een vijftienjarig meisje had afgesproken. Deze mannen zijn bij hem in de auto gestapt en hebben daar ruim een uur met hem verbleven en hebben tegen hem gezegd dat hij in de gevangenis zou komen en daar niet levend uit zou komen. Vervolgens is aangever in een andere, voor hem onbekende, auto geplaatst, waarbij hij op de achterbank aan weerszijden door een man werd ingesloten terwijl ook voorin twee mannen zaten. Aangever heeft gedurende meerdere uren midden in de nacht in deze auto gezeten.

Dat aangever zich op enig moment van zijn auto naar de auto van de mannen verplaatste, maakt dit niet anders. Voor zover het al mogelijk zou zijn geweest zich op dat korte moment fysiek te onttrekken aan de situatie geldt dat door de druk en dwang die voortvloeide uit de hiervoor beschreven gedragingen van [verdachte] en zijn mededaders die ruimte er voor aangever niet was.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig hebben gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Bewezenverklaring afpersing (feit 7)

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de gedragingen van [verdachte] het medeplegen van afpersing opleveren.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] het oogmerk had zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat hij tezamen met zijn mededaders een gezamenlijk doel had, namelijk de beschikking krijgen over zoveel mogelijk geld. Pas toen zij na een paar uur door hadden dat het geld (de aandelenportefeuille) op geen enkele wijze van aangever afhandig gemaakt kon worden, hebben zij aangever laten gaan. Uit de op de telefoon aangetroffen chatberichten leidt de rechtbank bovendien af dat verdachte er mee zat dat hij de € 12.000,- (in aandelen) van aangever niet heeft kunnen bemachtigen. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank moeilijk anders worden verklaard dan vanuit het oogmerk om aangever (veel) geld afhandig te maken.

Deze afgifte van inloggegevens en geld heeft plaatsgevonden door middel van geweld en/of bedreiging met geweld. Daarbij neemt de rechtbank met name de omstandigheden waaronder de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden in aanmerking. De duur van de vrijheidsberoving, het tijdstip waarop deze plaatsvond, de aanwezigheid van meerdere personen en de gedane uitingen, in onderlinge samenhang bezien, geven aan de situatie een zodanig geweldskarakter dat deze als geweld dan wel bedreiging met geweld in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt. Dat het volgens [verdachte] enkel de bedoeling is geweest te dreigen met ‘exposure’ en dus niet met geweld doet niet af aan het feitelijke geweldskarakter van hun gedragingen en aan het feit dat die gedragingen ook als (dreiging met) geweld door aangever zijn opgevat (en opgevat mochten worden).

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 6 en 7

De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken van het uitstappen met de telefoon van aangever, omdat dit niet blijkt uit het dossier. De rechtbank zal [verdachte] eveneens vrijspreken van het tonen van een hamer en een vuurwapen en de uitlatingen die daarmee in verband staan. Deze gedragingen zijn zodanig specifiek en belastend dat daarvoor meer nodig is dan uitsluitend de aangifte van aangever. Anders dan de aangifte van aangever is hiervoor geen steun te vinden in het dossier.

De overige tenlastegelegde uitlatingen acht de rechtbank wel bewezen. Deze uitlatingen zijn te plaatsen in de context die is bekend, namelijk het ‘exposen’ van aangever.

Bewezenverklaring computervredebreuk (feit 8)

De rechtbank moet tot slot beoordelen of de gedragingen van [verdachte] het medeplegen van computervredebreuk opleveren.

De rechtbank stelt voorop dat van het in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht bedoelde ‘binnendringen’ (onder meer) sprake is indien men zich de toegang tot een geautomatiseerd werk verschaft door het aannemen van een valse sleutel. Daarvan is hier sprake, omdat [verdachte] en zijn mededaders met de wederrechtelijk verkregen toegangscode van aangever hebben ingelogd in de internetbankierenomgeving van de ING Bank. Gelet op de dreigende en gewelddadige situatie die daaraan voorafging, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat aangever zijn toegangscode uit vrije wil heeft verstrekt. Bovendien schetsen de aangetroffen chatberichten het beeld dat [medeverdachte] er moeite mee lijkt te hebben dat het niet is gelukt om de € 12.000,- van aangever te bemachtigen.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk.

De zaak [benadeelde partij 2]

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 6 april 2026 heeft [benadeelde partij 2] (hierna: aangever) aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij via Snapchat werd benaderd door een account met de naam [accountnaam 2] . Zij wilde met aangever afspreken. Dit zou gebeuren op 5 april 2026 omstreeks 21.30 uur op het adres [adres] . Toen aangever daar aankwam, werd hij door vier mannen geconfronteerd met de vraag wat hij met hun nichtje van plan was. Ook hoorde hij hen zeggen: “Hoe gaan we dit oplossen, halen wij de politie erbij of lossen we het gezamenlijk op?”. Uit angst is aangever vervolgens met de vier mannen in zijn auto gestapt. Tijdens de autorit werd besproken dat de mannen geld wilden zien. Zij reden richting de Rozengracht om naar een geldautomaat te gaan. Daar pinde aangever € 200,-, wat hij heeft overhandigd aan een van de mannen. Vervolgens zijn zij naar een geldautomaat aan de Elandsgracht in Amsterdam gereden, waar aangever drie keer € 203,50 heeft gepind en ook deze bedragen aan de mannen heeft overhandigd. Daarna zijn zij naar het Hommerson Casino in Zaandam gereden. Hier werd de pinpas van aangever tussen 01.00 en 01.15 uur geweigerd. Tot slot reed aangever met de mannen terug naar het adres [adres] , waar de telefoon van aangever door de mannen werd afgenomen. Bij het aanvullend verhoor van aangever zijn screenshots van de pintransacties gevoegd. Hieruit blijkt dat aangever in de nacht van 5 op 6 april 2026 één keer € 200,- heeft gepind, drie keer € 203,50 en € 9,- aan kosten voor de geldautomaat heeft betaald.

Op de telefoon die onder [medeverdachte] is aangetroffen, is een gesprek gevonden dat heeft plaatsgevonden op de avond van 5 april 2026. In dit gesprek stuurt ‘ [medeverdachte] ’ omstreeks 21.22 uur het bericht ''Wil m 3 mans doen man''. ‘K’ reageert hierop met ''Yo kom er aan'', waarna ‘ [medeverdachte] ’ omstreeks 21.39 uur het bericht ''Oké race door. Man is al bijna nrd'' stuurt. In een ander gesprek stuurt ‘ [medeverdachte] ’ op 5 april 2026 omstreeks 21.27 uur een foto van een persoon. Aangever heeft zichzelf op deze foto herkend. Ook blijkt dat in die telefoon op 6 april omstreeks 01.09 uur in Google Maps een route is ingevoerd vanaf de Elandsgracht te Amsterdam naar het Hommersen Casino te Zaandam.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 24 september 2026 verklaard dat hij ‘K’ is en dat hij bij de hiervoor beschreven gebeurtenissen aanwezig is geweest om aangever te confronteren (de rechtbank begrijpt: met de afspraak die hij met een 15-jarige heeft gemaakt). Hij heeft samen met aangever in de auto gezeten, waarna zij meerdere keren zijn gaan pinnen. Het geld is vervolgens verdeeld.

Bewezenverklaring wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 9)

De rechtbank moet als eerste beoordelen of de gedragingen van [verdachte] medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving opleveren.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] met anderen een zodanige situatie hebben gecreëerd dat ten aanzien van aangever de dwang is ontstaan om te blijven. Daarbij is in het bijzonder van belang dat aangever, nadat hij in de late avonduren onverhoeds door meerdere mannen werd benaderd, werd geconfronteerd met het feit dat hij met een vijftienjarig meisje had afgesproken. De mannen zijn vervolgens bij hem in de auto gestapt en hebben hem gedurende meerdere uren in de nacht naar verschillende pinautomaten laten rijden om geld op te nemen en vervolgens nog naar een casino buiten Amsterdam.

Dat aangever daarbij zelf heeft gereden, uit de auto is gestapt en geld heeft gepind, maakt voorgaande conclusie dat sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving niet anders. De rechtbank overweegt daarbij dat aangever zo handelde onder de druk en dwang die voortvloeide uit de door [verdachte] en zijn mededaders gecreëerde situatie. Die situatie was zodanig dreigend dat aangever zich onder die omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet aan de situatie kon onttrekken.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Bewezenverklaring afpersing (feit 10)

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de gedragingen van [verdachte] medeplegen van afpersing opleveren.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] het oogmerk had zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verdachte] en zijn mededaders geen genoegen namen met het verkrijgen van een eenmalig geldbedrag, maar zich bleven inspannen om zoveel mogelijk geld van aangever te verkrijgen. Dit vindt bevestiging in het feit dat zij naar meerdere geldautomaten en een casino zijn gereden. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank moeilijk anders worden verklaard dan vanuit het oogmerk om aangever geld afhandig te maken.

Deze afgifte van geld heeft plaatsgevonden door middel van geweld en/of bedreiging met geweld. Daarbij neemt de rechtbank met name de omstandigheden waaronder de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden in aanmerking. De duur van de vrijheidsberoving, het tijdstip waarop deze plaatsvond, de aanwezigheid van meerdere personen en de gedane uitlatingen, in onderlinge samenhang bezien, geven aan de situatie een zodanig geweldskarakter dat deze als geweld dan wel bedreiging met geweld in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt. Dat het volgens [verdachte] enkel de bedoeling is geweest te dreigen met ‘exposure’ en dus niet met geweld doet niet af aan het feitelijke geweldskarakter van hun gedragingen en aan het feit dat die gedragingen ook als (dreiging met) geweld door aangever zijn opgevat (en opgevat mochten worden).

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing.

Bewezenverklaring diefstal met geweld (feit 11)

De rechtbank moet tot slot beoordelen of de gedragingen van [verdachte] het medeplegen van diefstal met geweld van een telefoon opleveren. Voor een bewezenverklaring van diefstal met geweld als bedoeld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat een diefstal wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door geweld of bedreiging met geweld tegen personen. Tevens is vereist dat het geweld of de bedreiging met geweld is gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, dan wel om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren.

Uit de uiterlijke verschijningsvormen van bovengenoemde feiten en omstandigheden die zien op de vrijheidsberoving en afpersing van aangever leidt de rechtbank af dat [verdachte] het oogmerk had op de wederrechtelijke toe-eigening van de telefoon van aangever. Het afpakken van de telefoon en het vervolgens meenemen daarvan laten, bezien in samenhang met de overige omstandigheden, geen andere conclusie toe dan dat [verdachte] en zijn mededaders erop uit waren zich de telefoon wederrechtelijk toe te eigenen.

Deze diefstal heeft plaatsgevonden door middel van geweld en/of bedreiging met geweld. Daarbij neemt de rechtbank met name de omstandigheden waaronder de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden in aanmerking. De duur van de vrijheidsberoving, het tijdstip waarop deze plaatsvond, de aanwezigheid van meerdere personen en de gedane uitingen, in onderlinge samenhang bezien, geven aan de situatie namelijk een zodanig geweldskarakter dat deze als geweld dan wel bedreiging met geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt. Deze geweldshandelingen werden gepleegd met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken. Zij zorgden er immers voor dat [verdachte] en zijn mededaders de telefoon konden wegnemen en daarmee toegang kregen tot de financiële gegevens van aangever.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 9, 10 en 11

De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken van de uitlating “je moet meewerken anders krijg je een kogel”. Deze uitlating wordt nadrukkelijk en consistent ontkend en de rechtbank vindt in het dossier, naast de aangifte, onvoldoende steun voor de omstandigheid dat deze uitlatingen daadwerkelijk zijn gedaan.

De overige tenlastegelegde uitlatingen acht de rechtbank wel bewezen. Deze uitlatingen zijn te plaatsen in de context die is bekend, namelijk het confronteren van aangever.

De zaak [benadeelde partij 1]

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Op 14 april 2026 heeft [benadeelde partij 1] (hierna: aangever) aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij op 12 april 2026 werd toegevoegd op Snapchat door een account met de naam [accpuntnaam] . Zij raakten aan de praat en spraken af. Deze afspraak vond plaats op de avond van 13 april 2026 in Amsterdam. Toen aangever rond 22.10 uur in Amsterdam aankwam zag hij drie mannen op hem aflopen.

Aangever moest op een bankje gaan zitten en met een oplossing komen. Hij zat tussen twee mannen in en de derde man stond tegenover hem. Zij zeiden dat aangever bang moest worden voor de situatie waarin hij was beland. Vervolgens moest aangever inloggen op zijn Rabobank-internetbankieren app en moest hij de mannen tonen hoeveel geld op zijn rekening stond. Dat was een bedrag van € 1.100,-. Hierna moest hij zijn telefoon afgeven en meelopen naar zijn eigen auto, een grijze Opel Corsa. In de auto moest hij ook zijn portemonnee en autosleutels afgeven. De mannen lieten aangever daarna naar een pinautomaat rijden om het saldo dat op zijn rekening stond te pinnen.

In het centrum van Amsterdam heeft aangever vervolgens omstreeks 23.55 uur € 200,- gepind. Dit bedrag gaf hij aan de mannen. Ook gaf hij het bedrag dat in zijn portemonnee zat, een bedrag van € 30,-, aan de mannen. Vervolgens reden zij naar een andere pinautomaat in het centrum van Amsterdam. Omstreeks 00.30 uur pinde aangever daar € 200,- en gaf dit bedrag af.

Aangekomen in een woonwijk moest aangever de auto parkeren. De mannen stapten uit en deden de auto op slot. Daarna stapten de mannen weer in en moest aangever naar een parkeerplaats rijden. Daar is ingelogd op de ASN-internetbankierenapp die aangever deelde met zijn vriendin met behulp van gezichtsherkenning door de telefoon voor het gezicht van aangever te houden. Vervolgens hebben de mannen op zijn betaalrekening gekeken. Ook hebben zij in de Whatsapp berichten van aangever gekeken. Zij maakten daarbij foto’s van de profielen van zijn moeder, een vriend en zijn vriendin. Aangever werd daarbij kenbaar dat aangever geen gekke dingen in zijn hoofd moest halen, omdat zij anders bij deze mensen zouden aankloppen.

Vervolgens moest aangever rijden naar het Holland Casino in Sloterdijk, naar binnen gaan en € 1.700,-- pinnen. De mannen gaven aan dat hij geen argwaan mocht wekken. Aangever werd geweigerd in het casino omdat hij een trainingsbroek aanhad. Aangever moest toen weer de auto in en naar een woonwijk rijden waar voor aangever een broek werd gehaald zodat hij even later wél het casino in zou kunnen. Nadat hij van broek had gewisseld moest aangever weer terug naar het casino rijden.

Rond 04.50 uur kwamen de mannen aan bij het Holland Casino in Amsterdam Sloterdijk. Eenmaal binnen kreeg aangever aan de balie te horen dat gelet op het tijdstip niemand meer werd toegelaten. Aangever brak en heeft in het casino om hulp gevraagd.

In de telefoon die werd aangetroffen onder [medeverdachte] , wordt een chatgroep op Whatsapp aangetroffen waarin ‘K’ ook zit. Op 13 april 2026 omstreeks 21.51 uur stuurt ‘vrouwtje’ “12 m is hij er”, waarop ‘K’ zegt “Oke ik ben er” en ‘ [medeverdachte] ’ omstreeks 22.06 uur zegt “Ik loop nu naar beneden”. Omstreeks 22.21 uur zegt ‘ [medeverdachte] ’ “We doen nu voor verkenning” en “We hebben m gezien”. Vervolgens worden foto’s verstuurd van een gesprek op Snapchat met ‘ [accountnaam 3] ’. De rechtbank begrijpt dat [accountnaam 3] aangever betreft, nu dat zijn voornaam is.

Bij [verdachte] werd bij een identiteitsfouillering een autosleutel van een Opel aangetroffen. Dit bleek de sleutel van de Opel Corsa van aangever te zijn.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 24 september 2026 verklaard dat hij op 13 april 2026 aanwezig was en dat het plan was om aangever te laten betalen. Van tevoren is besproken hoeveel geld iedereen zou krijgen. Zij zijn op een bankje gaan zitten en hij heeft tegen aangever gezegd dat hij hem zou ‘exposen’ aan de buitenwereld als hij niet zou betalen.

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij met [verdachte] naar de plek is gegaan waar aangever ook naartoe moest komen en dat zij hem daar hebben aangesproken. Vervolgens zijn zij rondgereden op zoek naar pinautomaten en zijn zij uiteindelijk naar het casino gegaan.

Bewezenverklaring wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1)

De rechtbank moet als eerste beoordelen of de gedragingen van [verdachte] medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving opleveren.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] en zijn mededaders een zodanige situatie hebben gecreëerd dat ten aanzien van aangever de dwang is ontstaan om in hun nabijheid te blijven. Daarbij is in het bijzonder van belang dat aangever, nadat hij in de late avonduren onverhoeds door meerdere mannen werd benaderd, werd geconfronteerd met het feit dat hij met een vijftienjarig meisje had afgesproken en hem werd gezegd dat hij bang moest zijn voor de situatie waarin hij was beland. De mannen zijn vervolgens bij hem in de auto gestapt en hebben hem gedurende meerdere uren in de nacht naar verschillende pinautomaten en een casino laten rijden. Ook heeft hij een lange tijd in de auto moeten wachten, namen zij zijn sleutels af en werd de deur van buitenaf op slot gedaan. Het feit dat de mannen aangever daarnaast hebben gedwongen naar een adres te rijden om een broek te halen en hem zijn eigen broek lieten verwisselen voor de aangereikte kleding geeft eveneens aan dat aangever in een kwetsbare positie zat, dat de mannen alle tijd namen en dat het voor hen ernst was.

Dat aangever daarbij zelf heeft gereden, uit de auto is gestapt en geld heeft gepind, maakt voorgaande conclusie niet anders. Deze gedragingen heeft aangever immers verricht onder de druk en dwang die voortvloeide uit de door [verdachte] en zijn mededaders gecreëerde situatie die zo dreigend was dat aangever zich daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze situatie kon onttrekken.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Bewezenverklaring afpersing (feit 2)

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de gedragingen van [verdachte] medeplegen van afpersing opleveren.

De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] het oogmerk had zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen. Het plan bleek immers van te voren al om aangever geld afhandig te maken. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat [verdachte] en zijn mededaders met het afgeven van de autosleutels door aangever controle kregen over de situatie en geen genoegen namen met het verkrijgen van een eenmalig geldbedrag, maar zich bleven inspannen om zoveel mogelijk geld van aangever te verkrijgen. Dit vindt bevestiging in het feit dat zij naar meerdere geldautomaten en een casino zijn gereden en de telefoon en portemonnee van aangever hebben afgenomen. Met de telefoon probeerden zij via internetbankieren inzicht te krijgen in de tegoeden van aangever. Deze gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank moeilijk anders worden verklaard dan met het oogmerk om aangever geld afhandig te maken.

Deze afgifte van de goederen en het geld heeft plaatsgevonden door middel van geweld en/of bedreiging met geweld. Daarbij neemt de rechtbank met name de omstandigheden waaronder de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden in aanmerking. De duur van de vrijheidsberoving, het tijdstip waarop deze plaatsvond, de aanwezigheid van meerdere personen en de gedane uitingen, in onderlinge samenhang bezien, geven aan de situatie namelijk een zodanig geweldskarakter dat deze als geweld dan wel bedreiging met geweld in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt. Dat het volgens [verdachte] enkel de bedoeling is geweest te dreigen met ‘exposure’ en dus niet met geweld doet niet af aan het feitelijke geweldskarakter van hun gedragingen en aan het feit dat die gedragingen ook als (dreiging met) geweld door aangever zijn opgevat (en opgevat mochten worden).

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1 en 2

De rechtbank zal [verdachte] partieel vrijspreken van de uitlatingen "Je moet normaal doen anders gaat je kop eraf", "Je weet niet wat we je aan gaan doen en in welke buurt je bent beland" en dat het ook “anders had kunnen aflopen, namelijk dat hij daar vastgebonden had kunnen zitten, voor uren of dagen”. Deze uitlatingen worden nadrukkelijk en consistent ontkend en de rechtbank vindt in het dossier, naast de aangifte, onvoldoende steun voor de omstandigheid dat deze uitlatingen daadwerkelijk zijn gedaan.

De overige tenlastegelegde uitlatingen acht de rechtbank wel bewezen. Deze uitlatingen zijn immers te plaatsen in de context die is bekend, namelijk het ‘exposen’ van aangever.

Bewezenverklaring computervredebreuk (feit 3)

De rechtbank moet tot slot beoordelen of de gedragingen van [verdachte] het medeplegen van computervredebreuk opleveren.

De rechtbank stelt voorop dat van het in artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht bedoelde ‘binnendringen’ (onder meer) sprake is indien men zich de toegang tot een geautomatiseerd werk verschaft door het aannemen van een valse sleutel. Daarvan is hier sprake, omdat [verdachte] en zijn mededaders de telefoon van aangever voor zijn gezicht hebben gehouden en op die manier met behulp van gezichtsherkenning hebben ingelogd in de internetbankierenomgeving van zijn ASN-bank. Gelet op de dreigende en gewelddadige situatie die daaraan voorafging, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van vrijwilligheid.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat [verdachte] zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

feit 1

in de periode van 13 april 2026 tot en met 14 april 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

- die [benadeelde partij 1] mee te nemen naar een bankje en aan weerzijden van die [benadeelde partij 1] te zitten en tegenover die [benadeelde partij 1] te staan en

- die [benadeelde partij 1] mee te nemen naar zijn eigen auto en

- die [benadeelde partij 1] te laten rijden naar diverse locaties en

- de telefoon, portemonnee en autosleutels door [benadeelde partij 1] te laten afgeven en vervolgens van buiten de auto op slot te doen terwijl die [benadeelde partij 1] in de auto zat

- ( daarbij) voornoemde [benadeelde partij 1] de woorden toe te voegen: "Je moet bang zijn voor de situatie waarin je bent beland", althans woorden van gelijke strekking;

feit 2

in de periode van 13 april 2026 tot en met 14 april 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, portemonnee, autosleutels en 430 euro die aan die [benadeelde partij 1] toebehoorden, door

- die [benadeelde partij 1] van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden en

- tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen "Je moet bang zijn voor de situatie waarin je bent beland", althans woorden van gelijke strekking en

- foto's te maken van de Whatsapp profielen van de moeder, vriend en vriendin van die [benadeelde partij 1] en daarbij de woorden toe te voegen: "Je moet je geen gekke dingen in je hoofd halen, anders gaan we bij deze mensen even komen aankloppen";

feit 3

in de periode van 13 april 2026 tot en met 14 april 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van de ASN bank is binnengedrongen, waarbij verdachte en zijn mededader(s) de toegang tot de geautomatiseerde werken hebben verworven met behulp van een valse sleutel, te weten door zonder toestemming de telefoon van [benadeelde partij 1] voor het gezicht van die [benadeelde partij 1] te houden en via gezichtsherkenning in te loggen in de internetbankierenomgeving van de ASN bank;

feit 4

in de periode van 9 juli 2025 tot en met 10 juli 2025 te Koog aan de Zaan, Amsterdam, Oostzaan en Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [naam 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden gedurende de hele nacht, door

- met die [naam 1] mee te lopen naar zijn auto en bij die [naam 1] in te stappen en

- die [naam 1] te laten rijden naar diverse locaties en

- met die [naam 1] te wachten tot de pinautomaten open zouden gaan en

- voornoemde [naam 1] de woorden toe te voegen: "Weet jij dat het familie van mij is? Je wordt al een tijdje in de gaten gehouden. Er zit ook een tracker onder jouw auto. We willen jou hier weg hebben. De buurt wordt onrustig dus je moet met ons mee lopen naar jouw auto. Daar willen wij met jou praten om een oplossing te zoeken. Wat is je oplossing hiervoor? Als we geen oplossing kunnen vinden dan worden de gesprekken die jij hebt gevoerd openbaar gemaakt.", althans woorden van gelijke strekking;

feit 5

in de periode van 9 juli 2025 tot en met 12 juli 2025 te Koog aan de Zaan, Amsterdam, Oostzaan en Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 12.300 euro dat aan die [naam 1] toebehoorde, door

- die [naam 1] van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden en

- voor die [naam 1] een dreigende sfeer te creëren en

- bij die [naam 1] kenbaar te maken dat hij telkens meer geld moest pinnen en grote coupures moet pinnen en

- tegen die [naam 1] te zeggen "Weet jij dat het familie van mij is? Je wordt al een tijdje in de gaten gehouden. Er zit ook een tracker onder jouw auto. We willen jou hier weg hebben. De buurt wordt onrustig dus je moet met ons mee lopen naar jouw auto. Daar willen wij met jou praten om een oplossing te zoeken. Wat is je oplossing hiervoor? Als we geen oplossing kunnen vinden dan worden de gesprekken die jij hebt gevoerd openbaar gemaakt.", althans woorden van gelijke strekking;

feit 6

in de periode van 24 maart 2026 tot en met 25 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [naam 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden gedurende enkele nachtelijke uren, door

- bij die [naam 2] in de auto te stappen en bij de opening van de deur van de bestuurder te gaan staan waar die [naam 2] op de bestuurdersstoel zat en

- ( vervolgens) die [naam 2] in te laten stappen in een andere auto en

- aan weerszijden van die [naam 2] te gaan zitten achterin de auto en

- met die auto te gaan rijden en

- die [naam 2] niet alleen in de auto te laten zitten en

-

- ( daarbij) voornoemde [naam 2] de woorden toe te voegen: "als mannen onder elkaar, hoe wil je het oplossen" en "we gaan een stukje rijden", althans woorden van gelijke strekking;

feit 7

in de periode van 24 maart 2026 tot en met 25 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 2] heeft gedwongen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de toegangscode van zijn mobiele telefoon, de toegangscode van zijn bankapp en de pincode behorende bij zijn bankpas ende afgifte van 500 euro die aan die [naam 2] toebehoorden, door

- die [naam 2] van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden en

- die [naam 2] te filmen tijdens een Whatsapp videogesprek en

- een foto te maken van een document waar het adres van die [naam 2] opstaat en

- foto's te maken van de Whatsapp profielen van de moeder en vrienden van die [naam 2] en

- ( daarbij) tegen die [naam 2] te zeggen "We gaan naar de politie", althans woorden van gelijke strekking;

feit 8

in de periode van 24 maart 2026 tot en met 25 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van de ING bank is binnengedrongen, waarbij verdachte en zijn mededader(s) de toegang tot de geautomatiseerde werken hebben verworven met behulp van een valse sleutel, te weten door met de wederrechtelijk verkregen toegangscode tot de ING bank app in te loggen in de internetbankierenomgeving van de ING bank;

feit 9

in de periode van 5 april 2026 tot en met 6 april 2026 te Amsterdam en Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden gedurende enkele nachtelijke uren, door

- met die [benadeelde partij 2] in de auto te stappen van die [benadeelde partij 2] en

- die [benadeelde partij 2] te laten rijden naar diverse locaties en

- een dreigende sfeer te creëren voor die [benadeelde partij 2] en

- ( daarbij) voornoemde [benadeelde partij 2] de woorden toe te voegen: "hoe gaan we dit oplossen, halen wij de politie erbij of lossen we het gezamenlijk op?", althans woorden van gelijke strekking;

feit 10

in de periode van 5 april 2026 tot en met 6 april 2026 te Amsterdam en Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van 819,50 euro die aan die [benadeelde partij 2] toebehoorde, door

- die [benadeelde partij 2] van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden en

- een dreigende sfeer te creëren voor die [benadeelde partij 2] en

- ( daarbij) voornoemde [benadeelde partij 2] de woorden toe te voegen: "hoe gaan we dit oplossen, halen wij de politie erbij of lossen we het gezamenlijk op?", althans woorden van gelijke strekking;

feit 11

in de periode van 5 april 2026 tot en met 6 april 2026 te Amsterdam en Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een mobiele telefoon die aan [benadeelde partij 2] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [benadeelde partij 2] van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden en

- een dreigende sfeer te creëren voor die [benadeelde partij 2] en

- ( daarbij) voornoemde [benadeelde partij 2] de woorden toe te voegen: "hoe gaan we dit oplossen, halen wij de politie erbij of lossen we het gezamenlijk op?", althans woorden van gelijke strekking.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een

rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die

de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7. Motivering van de straf

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen volgens de officier van justitie de volgende voorwaarden te worden verbonden: een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod en dagbesteding.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden en het perspectief van verdachte, verzocht de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken en zo nodig te combineren met een eventueel gecumuleerde werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging schuldig gemaakt aan een reeks ernstige feiten. Hij heeft vier verschillende slachtoffers wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd en afgeperst. Bij twee slachtoffers heeft verdachte zich daarnaast schuldig gemaakt aan computervredebreuk door zonder toestemming in te loggen in hun online bankieromgeving. Ten slotte heeft verdachte zich ten aanzien van één slachtoffer schuldig gemaakt aan diefstal met geweld.

Bij deze feiten is telkens volgens een vergelijkbare werkwijze gehandeld. De aangevers verkeerden in de veronderstelling dat zij een afspraak hadden met een jong meisje. Op de afgesproken locatie werden zij vervolgens geconfronteerd met meerdere mannen. Daarbij zijn zij bedreigd en werd hun voorgehouden dat hun familie en vrienden zouden worden geïnformeerd indien zij niet zouden betalen. De slachtoffers vreesden voor hun leven en voelden zich door deze dreigende situatie gedwongen om geld af te staan. De mannen stapten vervolgens bij de slachtoffers in de auto, waarna alles in het werk werd gesteld om zo veel mogelijk geld van de slachtoffers te verkrijgen. Dit betekende onder meer dat slachtoffers meerdere uren in de nacht in een auto moesten rondrijden met de mannen, van pinautomaat naar pinautomaat. Ook moesten zij soms, midden in de nacht, meerdere uren met de mannen in de auto wachten tot de locaties van de pinautomaten weer open waren. Voor de slachtoffers moet dit een zeer angstige en uitzichtloze situatie zijn geweest. Zij waren gedurende langere tijd overgeleverd aan verdachte en zijn mededaders en verkeerden in onzekerheid over de afloop en over wat hen nog te wachten stond.

Verdachte heeft met zijn handelen de slachtoffers angst aangejaagd en zich daarbij uitsluitend laten leiden door financieel gewin. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan. Het gaat om ernstige feiten, die niet alleen ingrijpend zijn voor de directe slachtoffers, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij anderen kunnen veroorzaken. Verdachte heeft bovendien door de computervredebreuk op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Door zonder toestemming toegang te verkrijgen tot hun online bankieromgeving, heeft hij zich toegang verschaft tot zeer persoonlijke en financiële gegevens.

Uit de verklaringen van de slachtoffers komt naar voren dat de gevolgen van de feiten aanzienlijk zijn. Zo blijkt uit de verklaring van slachtoffer [benadeelde partij 1] dat hij sindsdien veel angst ervaart, zich op straat niet meer veilig voelt en ’s nachts slecht slaapt. Ook aangever [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat hij niet meer naar buiten durft. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zijn handelen dergelijke gevolgen voor de slachtoffers heeft gehad.

Dat de rol of intenties van de slachtoffers discutabel zijn, doet niet af aan de strafbaarheid van het handelen van verdachte. Verdachte heeft ervoor gekozen deze situatie uit te buiten en de slachtoffers onder druk te zetten met het oogmerk daar zelf financieel voordeel uit te behalen. Dat vindt de rechtbank zorgelijk. De rechtbank acht het ook zorgelijk dat verdachte zich samen zijn broer en anderen heeft beziggehouden met dergelijke ernstige en doelgerichte criminaliteit. Uit de wijze waarop de feiten zijn uitgevoerd, blijkt immers dat daarbij telkens bewust en planmatig te werk is gegaan.

De persoon van verdachte

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 31 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 18 september 2026. De reclassering ziet risico’s in het impulsieve handelen van verdachte en in het onvoldoende overzien van de gevolgen daarvan. Daarnaast lijkt bij hem sprake te zijn van beïnvloedbaarheid en van onvoldoende vaardigheden om zich te onttrekken aan risicovolle situaties en negatieve sociale invloeden. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering de volgende bijzondere voorwaarden:

• Meldplicht bij reclassering

• Diagnostiek & Ambulante behandeling

• Contactverbod

• Dagbesteding

De op te leggen straf

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Omdat de rechtbank een flinke stok achter de deur en hulpverlening van groot belang acht, komt zij tot een groter voorwaardelijk deel en een langere proeftijd dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd voor de duur van drie jaren, passend en geboden. Daarbij legt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op, met uitzondering van het contactverbod. Daarvoor ziet de rechtbank geen aanleiding.

8. Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 1.204,50 aan materiële schade, bestaande uit € 385,- voor de afgenomen iPhone 15 Pro en € 819,50 voor het afgenomen geld.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. Hij durft zijn huis niet meer uit en vertrouwt anderen niet meer. Daarnaast ervaart hij veel angstklachten en herbelevingen en slaapt hij nauwelijks.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk moet worden toegewezen, met inbegrip van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële posten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de immateriële post heeft de raadsman primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in dit deel van de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en geen sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de immateriële schadepost te matigen en het bedrag naar billijkheid te schatten.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreekse materiële schade is toegebracht. De schade in de vorm van de gepinde bedragen is voldoende aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van de schade als gevolg van de weggenomen telefoon, geldt dat de benadeelde partij een AI-overzicht heeft bijgevoegd waaruit een bandbreedte volgt van de huidige restwaarde van zijn door hem gestelde type telefoon (I-phone 15 Pro). Afhankelijk van de opslagruimte en in welke staat het toestel verkeert varieert de restwaarde volgens AI tussen bedragen van € 385,- en € 570,-. De benadeelde partij heeft de restwaarde van zijn toestel vervolgens bepaald op € 385,-. . De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden door het verlies van zijn telefoon. Omdat de benadeelde partij verder niets heeft gesteld over de staat waarin zijn telefoon verkeerde noch van de opslagcapaciteit, kan de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld. Nu het door de benadeelde partij gegenereerde AI-overzicht door de verdediging echter niet is betwist, zal de rechtbank de restwaarde van de telefoon begroten op het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 385. De gevorderde schadevergoeding zal dan ook door de rechtbank worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij ook recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In het geval dat een benadeelde aangeeft dat sprake is van een aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’, zal diegene met concrete gegevens deze aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ moeten onderbouwen. Hiervan is in ieder geval sprake in het geval dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een medisch erkend ziektebeeld.

De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij door de door verdachte gepleegde feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Dit is niet de enige grond op basis waarvan een aantasting in de persoon op andere wijze kan komen vast te staan. Ook de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij kunnen meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. In beginsel zal degene die zich hierop beroept dat met concrete gegevens moeten onderbouwen. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat aangever urenlang van zijn vrijheid is beroofd en is afgeperst. De benadeelde partij heeft de nadelige gevolgen die dit voor hem heeft gehad ook nader onderbouwd. Hij heeft last van gevoelens van angst, herbelevingen, slecht slapen en heeft geen vertrouwen meer in anderen. De rechtbank is op grond van deze aard en ernst van de normschending, in samenhang met de aard en ernst van de gestelde gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, van oordeel dat als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde sprake is van een ‘persoonsaantasting op andere wijze. De begroting van de schade geschiedt dan naar billijkheid waarbij de rechtbank acht slaat op de Rotterdamse Schaal. Aangesloten wordt bij hoofdstuk 19.1 en 19.2 (Persoonsaantastingen bij bedreigende situaties). Alles afwegend, acht de rechtbank toewijzing van – zoals gevorderd – een smartengeldbedrag van € 3.000,00 billijk, , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De rechtbank zal de betalingsverplichting hoofdelijk aan verdachte opleggen, omdat hij de feiten met mededaders heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het gehele bedrag aansprakelijk is. Indien een mededader - een deel van - het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat - deel - te betalen (en vice versa).

In het belang van [benadeelde partij 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, tot slot de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De vordering van benadeelde partij [naam 2]

De benadeelde partij [naam 2] vordert een bedrag van € 500,- aan materiële schade, bestaande uit het afgenomen geld.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk moet worden toegewezen, met inbegrip van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreekse materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist en de rechtbank is van oordeel dat dit bedrag voldoende is onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding zal dan ook door de rechtbank worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De rechtbank zal de betalingsverplichting hoofdelijk aan verdachte opleggen, omdat hij de feiten met mededaders heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het gehele bedrag aansprakelijk is. Indien een mededader - een deel van - het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat - deel - te betalen (en vice versa).

In het belang van [naam 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, tot slot de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 1.056,30 aan materiële schade, bestaande uit verschillende posten. Ten eerste vordert hij een bedrag van € 146,19 aan reiskosten voor het rijden naar het politiebureau in Amsterdam, omdat zijn auto in beslag was genomen voor forensisch onderzoek. Daarnaast bestaat de vordering uit het afgegeven geldbedrag van € 430,- en een bedrag van € 114,44 aan kosten voor een leaseauto vanwege de inbeslagname van zijn eigen auto. Dit bedrag is naar aanleiding van een opmerking door de verdediging tijdens de zitting bijgesteld naar een bedrag van € 106,81. Tot slot vordert hij een bedrag van € 24,50 voor het laten namaken van zijn sleutels, omdat deze tijdens de bewezenverklaarde feiten van hem zijn afgenomen en een bedrag van € 341,17 voor het afkopen van zijn telefoonabonnement. Omdat zijn telefoon zoek is geraakt tijdens de bewezenverklaarde feiten was hij genoodzaakt het contract met Odido af te kopen.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij ervaart veel angst en slaapt slecht. Hij heeft als gevolg van de stress lichamelijke klachten gekregen. Hij ervaart veel spanning in zijn lichaam, met name in zijn nek en rug. Ook heeft hij regelmatig last van hoofdpijn.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk moet worden toegewezen, met inbegrip van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de reiskosten en de kosten voor het bijmaken van de sleutels gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de posten die zien op het afgegeven en het gepinde geldbedrag heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet duidelijk is of deze bedragen inmiddels aan de benadeelde partij zijn teruggegeven. Dit geldt ook voor de materiële schadepost die ziet op het afkopen van het telefoonabonnement. Volgens de raadsman bestaan er te veel onduidelijkheden over de vraag wanneer, hoe en door wiens toedoen de telefoon is zoekgeraakt.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en geen sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de gevorderde immateriële schade aanzienlijk te matigen en het bedrag naar billijkheid te schatten.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreekse materiële schade is toegebracht. De gevorderde materiële schadevergoeding ter zake van de reiskosten, het bijmaken van de sleutels, de kosten van de leaseauto, het afgegeven bedrag en het telefoonabonnement komt geheel voor vergoeding in aanmerking. Met betrekking tot het door de benadeelde partij afgegeven bedrag overweegt de rechtbank dat niet blijkt dat dit bedrag aan de benadeelde partij is geretourneerd, zoals door de raadsman als mogelijkheid naar voren is gebracht. Met betrekking tot de kosten van het telefoonabonnement geldt dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de telefoon tijdens wederrechtelijke vrijheidsontneming van [benadeelde partij 1] is afgenomen zodat ook de kosten van het afkopen van het telefoonabonnement voor vergoeding in aanmerking komen.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij ook recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In het geval dat een benadeelde aangeeft dat sprake is van een aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’, zal diegene met concrete gegevens deze aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ moeten onderbouwen. Hiervan is in ieder geval sprake in het geval dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een medisch erkend ziektebeeld.

De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij door de door verdachte gepleegde feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Dit is niet de enige grond op basis waarvan een aantasting in de persoon op andere wijze kan komen vast te staan. Ook de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij kunnen meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. In beginsel zal degene die zich hierop beroept dat met concrete gegevens moeten onderbouwen. In dit geval heeft de normschending eruit bestaan dat aangever urenlang van zijn vrijheid is beroofd en is afgeperst. De benadeelde partij heeft de nadelige gevolgen die dit voor hem heeft gehad ook nader onderbouwd. Hij heeft last van gevoelens van angst, slecht slapen en lichamelijke klachten als gevolg van de stress door de gebeurtenissen. De rechtbank is op grond van deze aard en ernst van de normschending, in samenhang met de aard en ernst van de gestelde gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, van oordeel dat als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde sprake is van een ‘persoonsaantasting op andere wijze. De begroting van de schade geschiedt dan naar billijkheid waarbij de rechtbank acht slaat op de Rotterdamse Schaal. Aangesloten wordt bij hoofdstuk 19.1 en 19.2 (Persoonsaantastingen bij bedreigende situaties). Alles afwegend, acht de rechtbank toewijzing van – zoals gevorderd – een smartengeldbedrag van € 3.000,00 billijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De rechtbank zal de betalingsverplichting hoofdelijk aan verdachte opleggen, omdat hij de feiten met mededaders heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het gehele bedrag aansprakelijk is. Indien een mededader - een deel van - het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat - deel - te betalen (en vice versa).

In het belang van [benadeelde partij 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, tot slot de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Beslag

Onder verdachte is het volgende goed in beslag genomen:

1. 85,00 euro (PL1300-2026092587-G6800325).

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het geld verbeurd dient te worden verklaard, omdat het voor de hand ligt dat het geld een deel van de afgeperste opbrengst is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het geldbedrag aan verdachte teruggeven, nu niet is komen vast te staan dat dit geldbedrag in verband staat met de bewezenverklaarde feiten.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 60a, 138ab, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, feit 4, feit 6 en feit 9: telkens: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 2, feit 5, feit 7 en feit 10: telkens: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 3 en feit 8: telkens: medeplegen van computervredebreuk;

ten aanzien van feit 11: diefstal, vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren.

Bepaalt dat een deel daarvan, namelijk één (1) jaar, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij de reclassering

Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

- Ambulante behandeling

Veroordeelde werkt mee aan diagnostiek en laat zich gedurende de proeftijd behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt.

- Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] toe en veroordeelt verdachte, behalve voor zover deze vordering al door of namens een andere is betaald, mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.204,50 (vierduizend tweehonderdvier euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2026. Voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.204,50 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat een bedrag van € 4.204,50 (vierduizend tweehonderdvier euro en vijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 5 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.204,50 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan een van de opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Wijst de vordering van [naam 2] toe en veroordeelt verdachte, behalve voor zover deze vordering al door of namens een andere is betaald, mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro), bestaande uit materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 maart 2026.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 2] aan de Staat een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, bestaande uit materiële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 24 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of zijn mededadersheeft/hebben voldaan aan een van de opgelegde verplichtingen tot vergoeding

van deze schade.

Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte, behalve voor zover deze vordering al door of namens een andere is betaald, mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.048,67 (vierduizend achtenveertig euro en zevenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 april 2026. Voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.048,67 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. Wijst het overige deel van de vordering af.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat een bedrag van € 4.048,67 (vierduizend achtenveertig euro en zevenenzestig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 13 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.048,67 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. Wijst het overige deel van de vordering af.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij of zijn mededaders heeft/hebben voldaan aan een van de opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

85,00 euro (PL1300-2026092587-G6800325).

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. A.M. Grüschke en D.M.S. Gribling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand