RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 09/4477
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 23 september 2010.
inzake
[Eiser], eiser,
wonende te [woonplaats],
tegen
de beheerder van het Korps landelijke politiediensten, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 30 september 2009.
2. Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2008 heeft verweerder geweigerd om eiser op basis van zijn sollicitatie in 2005 alsnog per 1 juni 2005 te benoemen in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8, bij de Dienst Spoorwegpolitie van het Korps landelijke politiediensten (Klpd).
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 30 augustus 2010. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.J. van Dishoeck, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten (Klpd).
3. Overwegingen
Bij besluit van 2 maart 2001 is eiser als politieambtenaar bij de politieregio Gelderland-Midden strafontslag verleend.
Met ingang van 1 juni 2004 is eiser op grond van artikel 3, vierde lid, onder a, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) in tijdelijke dienst voor de duur van één jaar aangesteld als politiemedewerker met de rang van hoofdagent, schaal 7, bij de Dienst Spoorwegpolitie van het Klpd. Het betrof in feite een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef.
In de loop van 2005 heeft eiser gesolliciteerd naar de functie van senior politiemedewerker met de rang van brigadier, schaal 8, bij de Unit Probleemgerichte Inzet van de Dienst Spoorwegpolitie van het Klpd. Na een voor eiser positief verlopen selectieprocedure is hij, vooruitlopend op zijn formele benoeming, met ingang van 1 mei 2005 in deze functie werkzaam geweest.
Begin mei 2005 heeft de politieregio Gelderland-Midden contact opgenomen met het Bureau Veiligheid & Integriteit van het Klpd over een naderhand geseponeerde aangifte van bedreiging. In dit contact is ook het strafontslag van eiser ter sprake gekomen. Dit heeft ertoe geleid dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen volledige openheid van zaken had gegeven omtrent de gronden van het strafontslag bij de politieregio Gelderland-Midden. Op 26 mei 2005 is eiser meegedeeld dat van zijn benoeming in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8, werd afgezien. Wegens afwezigheid van het hoofd van de dienst Spoorwegpolitie lag er op dat moment nog geen ondertekend benoemingsbesluit.
Bij besluit van 31 mei 2005 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling per 1 juni 2005 niet wordt verlengd, omdat eiser geen volledige openheid van zaken zou hebben gegeven omtrent de gronden van het strafontslag bij de politieregio Gelderland-Midden. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 12 oktober 2005.
Het hiertegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank bij uitspraak van 15 december 2006 ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij uitspraak van 10 juli 2008 het besluit van 12 oktober 2005 vernietigd. Naar het oordeel van de CRvB kan niet staande worden gehouden dat eiser onvoldoende openheid heeft willen verschaffen omtrent de gronden van het strafontslag.
Bij brief van 18 augustus 2008 heeft eiser verweerder verzocht om hem naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB vanaf 1 juni 2005 in vaste dienst aan te stellen als allround politiemedewerker met de rang van brigadier, schaal 8, om loondoorbetaling vanaf 1 juni 2005 als brigadier in schaal 8, om volledige vergoeding van advocaatkosten en om vergoeding van overige nog nader te specificeren kosten.
Verweerder heeft op 29 september 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard en is het besluit van 31 mei 2005 herroepen. Voorts is eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 juni 2005 in vaste dienst wordt aangesteld in de functie van politiemedewerker, schaal 7, bij de Unit Probleemgerichte Inzet (huidige functiebenaming: allround politiemedewerker), onder het voorbehoud dat naar aanleiding van een naar eiser te verrichten antecedentenonderzoek een verklaring wordt afgegeven dat geen bezwaar bestaat tegen zijn aanstelling. Tevens is eiser op grond van artikel 7:15 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht een bedrag van € 644,- toegekend en heeft verweerder aangekondigd over te zullen gaan tot betaling van de kosten waartoe hij in hoger beroep is veroordeeld.
Bij besluit van eveneens 29 september 2008 heeft verweerder, in reactie op eisers brief van 18 augustus 2008, aan hem meegedeeld dat er geen reden is om hem een aanstelling te verlenen in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8. Voorts is eiser te kennen gegeven dat de hoogte van de nog uit te betalen achterstallige bezoldiging afhankelijk is van de door eiser genoten inkomsten in de periode van 1 juni 2005 tot heden. Ter bepaling van die hoogte is eiser verzocht omtrent deze inkomsten stukken te overleggen. Ten aanzien van het verzoek van eiser om vergoeding van de volledige advocaatkosten heeft verweerder verwezen naar zijn beslissing op bezwaar van 29 september 2008 en de daarin toegekende vergoedingen. Ten aanzien van het verzoek van eiser om vergoeding van overige kosten heeft verweerder beslist dat deze niet nader gespecificeerd noch onderbouwd zijn en dat volstaan wordt met de betaling van de in genoemd besluit toegekende vergoedingen.
Tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 29 september 2008 heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank van 14 mei 2009 is het beroep tegen dit besluit, voor zover daarbij is geweigerd om eiser te benoemen in de functie van senior politiemedewerker (voormalige functiebenaming: allround politiemedewerker), schaal 8, niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank moet de brief van eiser van 18 augustus 2008 worden aangemerkt als een verzoek om op basis van de sollicitatie van 2005 alsnog per 1 juni 2005 benoemd te worden in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8, en dat dit verzoek in de brief van 29 september 2008 is afgewezen, zodat die brief in zoverre een primair besluit behelst. Het beroepschrift is doorgestuurd naar verweerder om dit in zoverre als bezwaarschrift te behandelen.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 29 september 2008, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet tot een benoemingsbesluit is gekomen en dat eiser geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest dat een voorwaarde voor definitieve plaatsing in de functie was dat deze hem bekend zou moeten worden gemaakt met een getekend besluit van het bevoegd gezag, te weten het hoofd van de Dienst Spoorwegpolitie. Voor zover er voor eiser onduidelijkheid bestond over zijn benoeming, dient dit voor zijn rekening te komen, aangezien kort na aanvang van de werkzaamheden door eiser tegen hem een aangifte van bedreiging was gedaan. Verweerder is dan ook van mening dat er geen reden is om eiser met ingang van 1 mei 2005 alsnog in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8, te benoemen. Het feit dat de aangifte van bedreiging nadien is geseponeerd, maakt dit voor verweerder niet anders, omdat die aangifte voor hem een gegronde reden zou zijn geweest om een benoeming uit te stellen. Verweerder heeft voorts in aanmerking genomen dat eiser een aanzienlijke periode niet meer feitelijk in dienst is geweest bij de dienst Spoorwegpolitie van het Klpd en verweerder zich eerst een helder beeld wenst te vormen van eisers functioneren als executief ambtenaar van politie in de functie van allround politiemedewerker, schaal 7, alvorens hem in aanmerking te brengen voor de functie van senior politiemedewerker, schaal 8. Daarbij is in ogenschouw genomen dat de senior politiemedewerker momenteel werkzaam is onder andere omstandigheden als in de periode dat eiser naar de functie van allround politiemedewerker, schaal 8, had gesolliciteerd. Ook is in aanmerking genomen dat er binnen de Unit Probleemgerichte Inzet en Executieve Ondersteuning geen vacatures zijn voor de functie van senior medewerker, schaal 8, en zelfs sprake is van overtolligheid.
Eiser is van mening dat hem met ingang van 1 mei 2005 een vaste aanstelling in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8, is verleend. Hiervoor is verwezen naar een e-mailbericht van 15 april 2005 van de heer C. Hartgers, hoofd van de Unit Probleemgerichte Inzet, waarin staat dat eiser benoemd zal worden. Voorts is gewezen op het feit dat eiser als brigadier binnen het BPS-systeem stond geregistreerd en als brigadier is ingepland.
De rechtbank stelt vast dat de CRvB in zijn uitspraak van 10 juli 2008 heeft geoordeeld dat uit het hierboven vermelde e-mailbericht niet blijkt dat eiser een vervolgaanstelling is verleend. Daarbij heeft de CRvB geconstateerd dat het niet tot een benoemingsbesluit is gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiser van 18 augustus 2008 moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van de impliciete weigering om eiser op basis van zijn sollicitatie met ingang van 1 mei 2005 te benoemen in de functie van (thans geheten:) senior politiemedewerker, schaal 8, met dien verstande dat eiser heeft verzocht met ingang van 1 juni 2005 in die functie te worden benoemd.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
De rechtbank stelt vast dat de redenen om eiser niet in de functie van senior politiemedewerker te benoemen zijn vervallen. De aangifte van bedreiging is geseponeerd en de CRvB heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat eiser onvoldoende openheid heeft willen verschaffen omtrent de gronden van het strafontslag. Gelet hierop is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder hierin aanleiding had behoren te vinden om terug te komen van zijn oorspronkelijke besluit. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat indien beide kwesties niet zouden hebben gespeeld, verweerder eiser zou hebben benoemd in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit alsnog diende te doen.
Het feit dat de aangifte van bedreiging in ieder geval tot uitstel van de benoeming zou hebben geleid, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder miskent hier dat er met inachtneming van de nieuw gebleken feiten en omstandigheden geen reden voor dat uitstel zou zijn geweest. Achteraf bezien zou dit uitstel ook ten onrechte zijn geweest.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het ontbreken van vacatures c.q. formatieruimte voor risico van verweerder komt. Ook de omstandigheid dat eiser een aanzienlijke periode feitelijk niet meer in dienst is geweest en de functie van senior politiemedewerker een ander karakter heeft gekregen, vormt onvoldoende grond om van benoeming in die functie af te zien. Niet valt in te zien waarom niet een op de situatie toegesneden inwerkprogramma kan worden gemaakt, waarbij (bijvoorbeeld) eiser in het begin niet de seniortaken worden opgedragen, maar hij voorlopig feitelijk de functie van politiemedewerker uitoefent.
Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat verweerder naar aanleiding van eisers sollicitatie eerst bij besluit van 29 september 2008 heeft beslist, bestaat er geen aanleiding om anders te oordelen.
Gelet op het voorgaande moet het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Het beroep daartegen is dan ook gegrond.
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en, doende hetgeen verweerder had behoren te doen, het besluit van 29 september 2008 te herroepen en eiser met ingang van 1 juni 2005 in vaste dienst aan te stellen in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8, bij de Dienst Spoorwegpolitie van het Klpd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat uit een antecedentenonderzoek is gebleken dat geen bezwaar bestaat tegen deze aanstelling.
Eiser heeft verzocht om verweerder te veroordelen tot immateriële schadevergoeding.
De rechtbank stelt voorop dat slechts die immateriële schade voor vergoeding in aanmerking kan komen waarvan genoegzaam aannemelijk is dat die schade in zodanig verband staat met het onrechtmatig bevonden besluit dat zij verweerder, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een dergelijk verzoek worden getoetst aan artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge dit artikel heeft een benadeelde, voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Hiervoor is onvoldoende dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit. De wetgever heeft het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.
Nu eiser ter zitting heeft aangegeven dat hij zich door het bestreden besluit gekrenkt voelt, kan niet worden gezegd dat eiser als gevolg van dat besluit zodanig in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast dat hij aanspraak op vergoeding van immateriële schade heeft.
Aangezien niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het besluit van 29 september 2008, met als onderwerp "Reactie brief d.d. 18 augustus 2008";
verleent eiser met ingang van 1 juni 2005 een vaste aanstelling in de functie van senior politiemedewerker, schaal 8, bij de Dienst Spoorwegpolitie van het Klpd;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 aan hem vergoedt.
Aldus gegeven door mr. L. van Gijn, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2010.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: 23 september 2010.