RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummers: AWB 10/3573 en AWB 11/1758
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 31 augustus 2011
inzake
[naam], eiser,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door [naam],
tegen
het Dagelijks bestuur Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
10/3573
Besluit van verweerder van 14 september 2010.
11/1758
Besluit van verweerder van 4 april 2011.
2. Beslissing
De rechtbank
verklaart de beroepen ongegrond.
3. Gronden van de beslissing
10/3573
Eiser heeft verzocht hem in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afschriften te verstrekken van documenten waarin de criteria zijn beschreven waarover een GGD-arts in 2006 kon beschikken om in de zin van de toewijzingsregels in het kader van de huisvestingsurgentie de diagnose te kunnen vaststellen of er wel of niet sprake is van een “zeer bijzonder medisch geval”.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder bij het bestreden besluit aan eiser afschriften verstrekt van:
• de werkinstructie huisvestingsurgentie;
• het voorbeeldvragenformulier huisvestingsurgenties;
• de toelichting huisvestingsurgentie regiogemeenten West.
Eiser stelt dat de hem toegezonden documenten geen betrekking hebben op het onderwerp van zijn verzoek. Verweerder had volgens hem zijn verzoek daarom moeten afwijzen. Deze grond slaagt niet. Gelet op de inhoud van de voornoemde documenten is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid deze documenten heeft kunnen aanmerken als documenten die betrekking hebben op het verzoek van eiser.
Nu eiser niet heeft aangevoerd dat er nog andere documenten onder verweerder (dienen te) berusten die betrekking hebben op zijn verzoek kan de conclusie niet anders zijn dan dat verweerder aan het verzoek van eiser heeft voldaan.
11/1758
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de verzochte informatie gelet op de uitspraak van de ABRvS van 29 september 2010 (LJN: BN8563) geen bestuurlijke aangelegenheid betreft.
Eiser stelt dat verweerder niet akkoord had mogen gaan met zijn verzoek om rechtstreeks beroep in te stellen nu hij hem op eenvoudige wijze van zijn ongelijk had kunnen overtuigen door in zijn besluit te verwijzen naar genoemde uitspraak van de ABRvS. Deze grond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat nu de standpunten van partijen over en weer helder waren de zaak niet ongeschikt was voor rechtstreeks beroep en verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten daarmee in te stemmen.
Slotoverwegingen
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
De uitspraak is ter openbare zitting van 31 augustus 2011 gegeven door mr. J.A. van Schagen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Kjellevold - Hoegee, griffier.
Waarvan proces-verbaal,
De griffier, De rechter,
Afschrift verzonden op: