proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
19 juni 2014 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [X], eiser[A],
en
Regionale Belasting Groep, locatie [X], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 19 december 2013 op het bezwaar van eiser tegen hoogte van de aanslagen die op grond van de Wet waardering onroerende zaken zijn opgelegd.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2014.
Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen
[Z].
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken ten name van eiser de waarde van 37 in de gemeente [X] gelegen onroerende zaken (de objecten) bij in één geschrift vervatte beschikkingen op waardepeildatum 1 januari 2012 vastgesteld.
2. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de waarden van drie objecten verminderd. Daarbij heeft verweerder eiser een vergoeding voor de in bezwaar gemaakte proceskosten toegekend ten bedrage van € 352,50 bestaande uit 1 punt voor het bezwaarschrift en, zoals partijen onderling hebben afgesproken, 0,5 punt voor de (telefonische) hoorzitting.
3. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht de factor voor samenhangende zaken niet heeft toegepast hetgeen eiser bepleit en verweerder bestrijdt.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013 (nr. 12/02674, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822), sprake van één bezwaar, nu het bezwaar tegen in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen en aanslagen is gericht. De omstandigheid dat sprake is van 37 afzonderlijke objecten kan aan voormeld oordeel niet afdoen; bepalend is dat het bezwaar zich richt tegen op één aanslagbiljet vermelde besluiten.
5. Uit vorengenoemd arrest valt voorts op te maken dat de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft, een rol kan spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak (vgl. Gerechtshof Den Haag, 27 augustus 2013; ECLI:NL:GHDHA:2013:4609). De rechtbank ziet in dit geval echter geen aanleiding om de zaak als zwaarder dan gemiddeld te beschouwen, mede gezien het feit dat de bezwaren slechts zeer summier en algemeen gemotiveerd waren. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, met name de vele werkzaamheden die niet in het bezwaarschrift tot uitdrukking komen, maar wel moesten worden verricht voor de beoordeling, maken dat niet anders.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de vergoeding voor de kosten van het bezwaar vastgesteld met inachtneming van een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 0,5 punt voor de hoorzitting.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2014.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.