RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 november 2015 in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [1976] , eiser, [eiseres] , geboren op [1981] , eiseres,mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [2009] , [minderjarige 2] , geboren op [2011] ,allen van Iraanse nationaliteit,hierna gezamenlijk te noemen: eisers
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 15/1597 en AWB 15/5383
(gemachtigde: mr. R. Hijma),
en
(gemachtigde: mr. W. ‘t Hoen).
Procesverloop
Bij besluiten van 30 december 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers van 5 februari 2014 tot het verlenen van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd afgewezen.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en de tolk, de heer K. Parsi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en besloten dat de behandeling van het beroep ter zitting zal plaatsvinden door een meervoudige kamer van deze rechtbank. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en de tolk, de heer K. Parsi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
11. De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers toerekenbaar geen documenten ter staving van hun reisroute hebben overgelegd en dat deze omstandigheid afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van hun asielrelaas. Eén en ander vormde onder de voor 1 januari 2015 geldende pok-toets een omstandigheid waarmee verweerder bij zijn besluitvorming rekening mocht houden en die met zich meebracht dat een vreemdeling zich meer moest inspannen om zijn asielrelaas alsnog aannemelijk te maken. Uit de uitspraak van de ABRvS van 9 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1201) volgt dat ook na 1 januari 2015 de omstandigheid dat een vreemdeling toerekenbaar geen documenten ter staving van zijn reisroute heeft overgelegd, door verweerder mag worden tegengeworpen, maar dat verweerder kenbaar zal moeten motiveren hoe deze omstandigheid van invloed is op de geloofwaardigheid. Indien de motivering van de onderhavige besluiten hieraan voldoet, moet in beginsel worden aangenomen dat de rechtbank in staat is de toetsing van artikel 83a (nieuw) van de Vw, zoals hiervoor in r.o. 8 en 9 uiteengezet, uit te voeren.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder van eisers kunnen verlangen documenten met betrekking tot hun reis te overleggen waarmee, zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht, kon worden nagegaan of deze aansluiten op het asielrelaas. Dat eisers van mening zijn dat de aanwezigheid van reisbescheiden niet tot een andere beslissing zou hebben geleid en de omstandigheid dat zij rechtmatig verblijf zouden hebben gehad in Griekenland, doen hier niet aan af. Eisers hebben bovendien erkend zich te hebben ontdaan van hun vlieg- en treintickets. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eisers toerekenbaar geen reisdocumenten hebben overgelegd. Verweerder heeft mogen overwegen dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van hun asielrelaas.
13. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder het niet onverwijld melden, als bedoeld in het ten tijde van het bestreden besluit geldende artikel 31, aanhef en onder c, van de Vw, aan eisers heeft mogen tegenwerpen. Verweerder heeft daarbij belang mogen hechten aan de omstandigheid dat eisers, zonder in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding, op 29 december 2013 te kennen hebben gegeven asiel te willen aanvragen, maar zich pas op 4 februari 2014 met hun asielaanvraag in Ter Apel hebben gemeld. Eisers hebben hiervoor geen verschoonbare reden aangevoerd. De verwijzing naar de door de Koninklijke Marechaussee opgemaakte aanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vw van 29 december 2013 maakt dit niet anders. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat vanwege het ontbreken van reisbescheiden niet kan worden vastgesteld op welke datum eisers Nederland zijn ingereisd, zodat verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eisers zich na hun inreis niet onverwijld hebben gemeld.
14. Uit het bestreden besluit dat betrekking heeft op eiser, en het daarin ingelaste voornemen, blijkt voorts dat verweerder bij zijn oordeelsvorming eisers verklaringen over onder meer zijn overtuiging dat hij in Iran in de bijzondere aandacht stond van de Iraanse veiligheidsdienst, de toelating tot Griekenland, de omstandigheid dat de Iraanse vertegenwoordiging in Griekenland zijn paspoort ongeldig zou hebben gemaakt en de gestelde samenwerking tussen de Iraanse en Griekse autoriteiten, heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen overwegen dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard ten aanzien van het tijdsverloop tussen de tweede ondervraging van eiser door de Iraanse veiligheidsdienst en zijn vertrek uit Iran. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat, zoals ter zitting door verweerder is toegelicht, er meer dan een marginaal verschil bestaat tussen de verklaring van eiser in eerste instantie, namelijk dat hij twee weken na zijn tweede ondervraging het land heeft verlaten, en zijn verklaring in het nader gehoor, dat hij zes weken na de tweede ondervraging Iran heeft verlaten. Dat eisers van mening zijn dat de tegenstrijdigheid niet de conclusie rechtvaardigt dat de desbetreffende verhoren ongeloofwaardig zijn, betekent niet dat verweerder deze tegenstrijdigheid niet heeft mogen tegenwerpen. Verder heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat eisers de verklaring dat eiser gedurende de genoemde zes weken in de gaten werd gehouden door de Iraanse autoriteiten gebaseerd heeft op onvoldoende nader gespecificeerde vermoedens. Verweerder heeft het voorts bevreemdend mogen achten dat eiser, ondanks zijn vermoeden dat hij in de gaten werd gehouden door de Iraanse veiligheidsdienst, ervoor gekozen heeft om Iran op legale wijze via de luchthaven te verlaten, temeer nu uit zijn verklaring blijkt dat hij zelf ook verbaasd was dat hij niet werd aangehouden. Niet valt in te zien dat eiser een zodanig risico zou hebben genomen. Verweerder heeft verder mogen overwegen dat eisers vage verklaringen hebben afgelegd over de weigering tot toelating in Griekenland. Verweerder heeft in dit verband in het verweerschrift toegelicht dat de omstandigheid dat eiser aanvankelijk de toegang tot het Schengengebied is geweigerd niet terug te voeren is op een instructie van de Iraanse aan de Griekse autoriteiten. Met de verwijzing van eisers naar het bij de zienswijze overgelegde verzoekschrift tot opschorting van het verbod op toegang van 2 november 2009 hebben eisers op dit punt geen helderheid kunnen verschaffen. Bovendien heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat niet valt in te zien waarom eisers niet de bescherming hebben ingeroepen van de Griekse autoriteiten. Verweerder heeft daarbij in ogenschouw mogen nemen dat de gestelde veiligheidsrisico’s in Iran groter zouden zijn dan de risico’s die eisers zouden lopen met betrekking tot de leefomstandigheden in Griekenland. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat niet valt in te zien dat eisers dienden terug te keren naar Iran met een laissez-passer. De omstandigheid dat de Iraanse vertegenwoordiging – beweerdelijk – hun paspoorten ongeldig had gemaakt en zij daardoor in hun mogelijkheden werden beperkt, leidt niet tot een ander oordeel. Tot slot heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat de verklaring van eiser dat het deponeren van drugs in de postbus van de studentenvereniging van eiser het gevolg is van een samenwerking tussen de Iraanse en Griekse autoriteiten, niet wordt gevolgd. In dit kader heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser met de verklaring dat de desbetreffende werkwijze alleen in Iran bestaat de gestelde samenwerking niet nader heeft geconcretiseerd.
15. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eisers ongeloofwaardig is. Verweerder heeft dan ook terecht in het asielrelaas van eisers geen aanleiding gezien om te concluderen dat zij bij gedwongen uitzetting naar Iran een reëel risico lopen om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Eisers hebben geen andere onderscheidende omstandigheden gesteld op grond waarvan een dergelijke vrees aannemelijk moet worden geacht. Eisers kunnen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw dan ook geen aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.
16. Eisers hebben verder aangevoerd dat zij inmiddels zijn bekeerd tot het christendom en dat zij zich op 7 december 2014 hebben laten dopen. Zij vrezen bij terugkeer naar Iran ernstige problemen vanwege hun bekering tot het christendom. Ter zitting hebben eisers zich op het nadere standpunt gesteld dat de rechter bij nieuwe asielmotieven in beroep, onder het nu geldende volledige en ex nunc onderzoek, verweerder via de zogenoemde bestuurlijke lus (artikel 8:51a en volgende van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) moet verplichten het nieuwe asielmotief te onderzoeken.
17. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat ook onder het huidige artikel 83a (nieuw) van de Vw geen ruimte is voor een beoordeling van nieuwe asielmotieven die eerst in beroep zijn aangevoerd. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de Memorie van Antwoord (MvA) bij de eerder genoemde wetswijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 34 088, C, pagina 3 en 4). Uit de MvA volgt dat de rechterlijke procedure niet is ingericht op het doen van onderzoek naar een nieuw asielmotief en in die gevallen is het doorgaans niet effectief en efficiënt om de rechter verantwoordelijk te maken voor de beoordeling van het nieuwe asielmotief. Het zal volgens de MvA ook niet per definitie in het voordeel van de vreemdeling zijn wanneer het asielmotief wordt meegenomen in de rechterlijke toetsing. Het doen van een nieuwe aanvraag zal in veel gevallen een beter kader bieden voor nieuw feitenonderzoek. Verweerder is dan beter in staat op behoorlijke wijze een oordeel te vormen over het nieuwe asielmotief en de rechter kan dit oordeel in dat geval toetsen op rechtmatigheid.
18. De procedure van artikel 8:51a en volgende van de Awb biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende waarborgen voor een zorgvuldige bestuurlijke besluitvorming in een situatie als de onderhavige. Daartoe is redengevend dat de termijn waarbinnen het bestuursorgaan een gebrek op de voet van artikel 8:51a van de Awb kan herstellen, op grond van de Procesregeling bestuursrecht in beginsel vier weken bedraagt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze termijn te kort is om een zorgvuldig onderzoek naar de gestelde bekering te waarborgen.
19. Voor zover eisers hebben bedoeld te stellen dat het onderzoek ter zitting moet worden heropend op de voet van artikel 8:68 van de Awb (de zogenoemde informele bestuurlijke lus) om een onderzoek naar hun bekering tot het christendom mogelijk te maken, overweegt de rechtbank dat deze werkwijze met zich zou brengen dat het onderzoek naar het nieuwe asielmotief van eisers zou moeten plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van de rechtbank. Onder verwijzing naar r.o. 17 is de rechtbank van oordeel dat zij daartoe niet is geëquipeerd. De rechtbank hecht er overigens nog aan om op te merken dat verweerder ter zitting heeft toegezegd dat in een eventuele opvolgende procedure niet aan eisers zal worden tegengeworpen dat zij eerder naar voren hadden moeten brengen dat zij - naar gesteld - bekeerd zijn.
20. De beroepen zijn ongegrond.
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mrs. T. Pavićević en M.C. Verra, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.