RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 in de zaak tussen
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/2290
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1974 , van Marokkaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. W. Frouws),
en
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht per 21 maart 2014 ingetrokken.
Bij besluit van 26 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2015. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Bij besluit van 6 juni 2002 is aan eiser een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote [echtgenote] ” verleend. De geldigheidsduur daarvan is laatstelijk verlengd tot 20 februari 2017.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst naar het buitenland. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op informatie uit de Basisregistratie Personen (BRP), inhoudende dat eiser op 21 maart 2014 uit de BRP is uitgeschreven omdat hij naar Spanje is geëmigreerd.
3. Volgens eiser is sprake van een misverstand. Eiser heeft bij de gemeente Ede geïnformeerd of hij op grond van de aan hem verleende verblijfsvergunning voor een aantal weken naar Spanje kon reizen. Omdat de medewerker van de gemeente om een adres vroeg, heeft eiser een adres van een Spaanse supermarkt opgegeven. Eiser heeft slechts een aantal weken in Spanje verbleven en heeft nimmer zijn hoofdverblijf naar het buitenland verplaatst.
4. Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bepaalt dat de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw kan worden afgewezen indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.
Artikel 19 van de Vw bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Vw met uitzondering van onderdeel b.
Paragraaf B1/6.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 bepaalt dat de IND aan de hand van feiten en omstandigheden van feitelijke aard beoordeelt of de vreemdeling het hoofdverblijf, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, heeft verplaatst.
De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland als zich het geval voordoet dat de vreemdeling meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van deze zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen.
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Volgens eiser heeft verweerder het primaire besluit ten onrechte niet vooraf laten gaan door een voornemen zoals bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder is ten onrechte van de door de gemeente Ede verstrekte gegevens uitgegaan, zonder hem in de gelegenheid te stellen hierop zijn zienswijze te geven, alvorens het besluit werd uitgevaardigd. Volgens eiser klemt dit temeer nu hij evenmin conform artikel 7:2 van de Awb in zijn bezwaren is gehoord.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 4:8, tweede lid, van de Awb het bepaalde in het eerste lid van dit artikel niet geldt indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken. Volgens verweerder heeft eiser verzuimd een adreswijziging door te geven aan de IND, terwijl hij hier op grond van artikel 4.37 van het Vreemdelingenbesluit wettelijk toe gehouden was. De besluitvorming is volgens verweerder dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op goede gronden is afgezien van het horen van eiser in bezwaar. Verweerder heeft, ondanks herhaalde pogingen daartoe, niet persoonlijk met eiser in gesprek kunnen gaan. Daarbij heeft eiser bij brief van 20 januari 2015 aangegeven dat een hoorzitting niet hoeft plaats te vinden. Dat niet is gehoord komt dan ook voor eisers risico, aldus verweerder.
7. In artikel 4:8 van de Awb is neergelegd dateen bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien:
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
Volgens het tweede lid van artikel 4:8 van de Awb geldt het eerste lid niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken.
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder een besluit heeft uitgevaardigd waartegen eiser, die niet om het besluit heeft gevraagd, naar verwachting bedenkingen zal hebben. Verweerder heeft immers besloten om de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder voorafgaand aan het uitvaardigen van het besluit eiser niet heeft geïnformeerd over dit besluit en dat eiser niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het uit te vaardigen besluit kenbaar te maken. De rechtbank is van oordeel dat de besluitvorming hiermee in strijd is met artikel 4:8 van de Awb. Het betoog van verweerder dat de uitzondering van artikel 4:8, tweede lid, van de Awb in dit geval opgeld doet omdat eiser niet heeft voldaan aan zijn wettelijke plicht om een adreswijziging door te geven, volgt de rechtbank niet. Eiser stelt dat de feitelijke uitschrijving uit de BRP, op grond waarvan verweerder verplaatsing van het hoofdverblijf heeft aangenomen, op een misverstand berust. Dit betekent dat eiser tot het besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning niet op de hoogte was van de uitschrijving. Dat eiser bij verweerder een adreswijziging had moeten doorgeven, kan dan ook niet zonder meer worden aangenomen. Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser zijn hoofdverblijf naar het buitenland heeft verplaatst, niet anderszins onderbouwd.
9. De rechtbank overweegt dat voormeld geconstateerd gebrek in beginsel in de bezwaarfase kan worden hersteld door eiser in zijn bezwaren te horen. De rechtbank volgt het betoog van verweerder dat van het horen in bezwaar kon worden afgezien, evenmin. Uit de brief van 20 januari 2015 blijkt dat eiser heeft aangegeven dat hij wegens zijn gezondheid niet in staat is om te worden gehoord, maar dat hij wel een advocaat kan machtigen om namens hem het woord te voeren. Eiser sluit zijn brief af met de mededeling dat hij graag van verweerder verneemt wat de voorkeur geniet. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser expliciet afstand heeft gedaan van het recht om te worden gehoord. De rechtbank overweegt verder dat verweerder zijn standpunt dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst, uitsluitend heeft gebaseerd op diens uitschrijving uit de BRP. In bezwaar heeft eiser gesteld dat hij zijn hoofdverblijf nimmer naar het buitenland heeft verplaatst. Volgens eiser berust de uitschrijving op een misverstand en is hij slechts een aantal weken weggeweest. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser onder meer een deel van een vliegticket met daarop zijn stoelnummer, een treinkaartje van Schiphol naar Veenendaal en getuigenverklaringen overgelegd. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:2 van de Awb.
10. Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven om deze reden geen bespreking.
11. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw moeten beslissen.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart bepaalt zij dat verweerder het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,- te betalen aan eiser;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzitter, en mr. R.J. Praamstra en mr. H. Gorter, leden, in aanwezigheid van mr. R.D.A. van Veghel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.
Bij verhindering van de voorzitter heeft mr. R.J. Praamstra, lid van de meervoudige kamer, de uitspraak ondertekend.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.