ECLI:NL:RBDHA:2015:2530

ECLI:NL:RBDHA:2015:2530, Rechtbank Den Haag, 05-03-2015, AWB - 14 _ 17668

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-03-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 14 _ 17668
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2016:183
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002320

Samenvatting

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot erkend referent afgewezen onder verwijzing naar zijn beleid, omdat aan eiseres meerdere fiscale vergrijpboetes zijn opgelegd en eiseres hierdoor onvoldoende betrouwbaar wordt geacht. De rechtbank toetst vol of daardoor de betrouwbaarheid van eiseres onvoldoende vast staat. Weliswaar worden op grond van artikel 1.19 van het Vb 2000 fiscale vergrijpboetes zoals die aan eiseres zijn opgelegd, betrokken bij de beoordeling van de betrouwbaarheid, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat daaruit per definitie volgt dat de betrouwbaarheid van eiseres reeds om die reden onvoldoende vaststaat. Bij die beoordeling moeten alle relevante omstandigheden worden betrokken, zoals die blijken uit het dossier. De rechtbank is van oordeel dat op grond van alle in het dossier aanwezige informatie niet kan worden gezegd dat de betrouwbaarheid van eiseres onvoldoende vast staat. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn beleid

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/17668

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 maart 2015 in de zaak tussen

de naamloze vennootschap AFC Ajax N.V., statutair gevestigd te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde mr. J.A. Kroes),

en

(gemachtigde mr. T.J.W. Visser).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 12 december 2013 tot erkenning als referent in de categorie ‘arbeid’ afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 juli 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 28 juli 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Ook was ter zitting aanwezig mr. B. Stork, bedrijfsjurist van eiseres. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

De aanvraag van eiseres betreft de erkenning als referent voor kennismigranten. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat aan eiseres in de jaren 2009 tot en met 2012 door de Belastingdienst vergrijpboetes zijn opgelegd op grond van artikel 67d, 67e dan wel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Op grond van paragraaf B1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is de aanvraag daarom afgewezen. Verweerder heeft geen aanleiding gezien af te wijken van dit beleid.

Eiseres betwist allereerst dat haar betrouwbaarheid onvoldoende vast staat. Zij stelt zich op het standpunt dat verweerder het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd en dat verweerder ten onrechte geen op het individuele geval toegespitste beoordeling heeft gemaakt.

Op grond van artikel 2c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 is verweerder bevoegd de aanvraag tot erkenning als referent in te willigen, af te wijzen, dan wel niet in behandeling te nemen.

Op grond van artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan verweerder de aanvraag tot erkenning als referent of tot wijziging van de erkenning als referent afwijzen, indien de betrouwbaarheid van de aanvrager of van de direct of indirect bij die onderneming, rechtspersoon of organisatie betrokken natuurlijke of rechtspersonen of ondernemingen onvoldoende vast staat.

Op grond van artikel 1.19, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 worden, voor zover hier van belang, bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager in ieder geval betrokken opgelegde boetes terzake van een op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f van de AWR beboetbaar feit.

Volgens paragraaf B1/2.1 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, wijst de IND op grond van artikel 2e van de Vw junctis de artikelen 1.18, 1.19, 1.22 van het Vb 2000 de aanvraag tot erkenning als referent af als de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag tot erkenning fiscale vergrijpboetes op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f van de AWR zijn opgelegd.

3. Uit de bewoordingen van artikel 2e, eerste lid, van de Vw 2000 leidt de rechtbank het volgende af. Nu de aanhef een kan-bepaling bevat, betekent dit dat verweerder beleidsvrijheid heeft met betrekking tot het al dan niet afwijzen van de aanvraag indien sprake is van een van de situaties zoals opgesomd in de onderdelen a tot en met e van dat artikel. Deze beleidsvrijheid heeft verweerder ingevuld met paragraaf B1/2.1 van de Vc 2000. Ten aanzien van de vraag of van een van die situaties sprake is, in dit geval zoals weergegeven in het eerste lid onder c, dat de betrouwbaarheid van de aanvrager onvoldoende vast staat, heeft verweerder echter geen beoordelingsruimte. Dit betekent dat de rechtbank het oordeel van verweerder over de betrouwbaarheid van eiseres vol zal toetsen, met inachtneming van de omstandigheden zoals genoemd in artikel 1.19 van het Vb 2000, waaronder opgelegde vergrijpboetes. Pas indien de rechtbank tot de conclusie komt dat de betrouwbaarheid van eiseres onvoldoende vaststaat, kan de rechtbank toekomen aan de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van paragraaf B1/2.1 van de Vc 2000 in redelijkheid de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen.

De rechtbank overweegt allereerst dat van een werkgever die als referent wil worden erkend een hoge mate van betrouwbaarheid mag worden verwacht. Blijkens de memorie van toelichting (Tweede Kamer 2008-2009, 32052, nr. 3, p. 23) is betrouwbaarheid van de potentiële referent essentieel voor de erkenning. Verweerder moet immers kunnen vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de eigen verklaring, die de erkende referent in het kader van de versnelde procedure overlegt en waarop beslissingen over de toelating en het verblijf van vreemdelingen in Nederland worden gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank omvat genoemde ‘eigen verklaring’ het gehele aanvraagformulier voor een verblijfsvergunning voor een kennismigrant en niet, zoals eiseres stelt, alleen onderdeel 5 daarvan. Nu een erkend referent geen van de onderdelen van het aanvraagformulier hoeft te onderbouwen met stukken, heeft verweerder geen mogelijkheid meer de door de erkend referent op het formulier ingevulde gegevens te verifiëren.

Daar staat tegenover dat, gelet op artikel 3.30a, eerste lid, van het Vb 2000, de erkenning als referent de enige mogelijkheid is voor werkgevers om verblijfsvergunningen voor kennismigranten aan te vragen. Dit betekent dat een werkgever die om welke reden dan ook niet voldoende betrouwbaar wordt geacht om te worden erkend als referent, in het geheel geen mogelijkheid meer heeft om kennismigranten aan te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom bij de beoordeling van de betrouwbaarheid een grote mate van zorgvuldigheid vereist en moet niet te lichtvaardig de conclusie worden getrokken dat een aanvrager onvoldoende betrouwbaar is.

Weliswaar worden op grond van artikel 1.19 van het Vb 2000 fiscale vergrijpboetes zoals die aan eiseres zijn opgelegd, betrokken bij de beoordeling van de betrouwbaarheid, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat daaruit per definitie volgt dat de betrouwbaarheid van eiseres reeds om die reden onvoldoende vaststaat. Naar het oordeel van de rechtbank moeten bij die beoordeling alle relevante omstandigheden worden betrokken, zoals die blijken uit het dossier. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank betrekt bij haar beoordeling allereerst de volgende omstandigheden die in het nadeel van eiseres pleiten. Niet alleen in de jaren 2009 tot en met 2012, maar ook in de jaren 2006 tot en met 2008 zijn aan eiseres over elk jaar eerderbedoelde boetes opgelegd. Uit de omstandigheid dat vergrijpboetes, en geen verzuimboetes, zijn opgelegd, volgt reeds dat daarbij sprake was van opzet dan wel grove schuld. Tevens ging het bij eiseres telkens om boetes in het kader van de loonbelasting, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank relevant is omdat juist de hoogte van het loon op grond van artikel 3.30a van het Vb 2000 het criterium is aan de hand waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor een kennismigrant wordt beoordeeld. Dat de boetes, naar gesteld, zijn opgelegd voor onjuistheden in de verloning van profvoetballers en niet van bij eiseres werkzame kennismigranten, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af, omdat van een werkgever die een aanvraag tot erkend referent indient, verwacht mag worden dat hij zijn gehele loonadministratie op orde heeft.

Daar staan de volgende omstandigheden tegenover die in het voordeel van eiseres pleiten. De fouten in de loonadministratie van eiseres zijn ontdekt bij gelegenheid van één intern boekenonderzoek. Eiseres heeft deze fouten zelf bij de Belastingdienst gemeld. Verder heeft na het jaar 2012 geen recidive meer plaatsgevonden. Ook acht de rechtbank van belang dat de Belastingdienst de boetes met 25 % heeft gematigd en bij brief van 21 maart 2014 heeft verklaard eiseres zeker niet te willen kwalificeren als niet betrouwbaar.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van alle in het dossier aanwezige informatie zoals die hiervoor is weergegeven, niet kan worden gezegd dat de betrouwbaarheid van eiseres onvoldoende vast staat. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was de aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar paragraaf B1/2.1 van de Vc 2000.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat uit het dossier niet blijkt of de andere afwijzingsgronden, zoals opgesomd in artikel 2e van de Vw 2000, op eiseres van toepassing zijn. Bovendien dient verweerder, indien hij van mening is dat ondanks het voorgaande oordeel van de rechtbank, de betrouwbaarheid van eiseres nog steeds onvoldoende vast staat, hiernaar nader onderzoek te verrichten en dit standpunt nader te motiveren. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de overige beroepsgronden te bespreken.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1).

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- (zegge: honderdvijfenzestig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,-- (zegge: negenhonderdtachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzitter, en mrs. A.H. van Zutphen en H.T. Masmeyer, rechters, in aanwezigheid van mr. W.M. Goncalves Sobral, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: WGS

Coll.: NV

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.J. Schaberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JV 2015/202
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?