Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 januari 2015 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR14/4447
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) in de Watersysteemheffing eigenaren (de aanslag) opgelegd ten bedrage van € 146,20.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B].
Eiser heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is eigenaar van een gebouwde onroerende zaak aan de [adres] 9 te [woonplaats] (de onroerende zaak).
2. Ter zake van de onroerende zaak zijn aan eiser met dagtekening 31 maart 2014 op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de Watersysteemheffing ingezetenen en de Zuiveringsheffing woonruimten voor het jaar 2014 opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 97,63 en € 154,14 (hierna: de aanslagen).
3. Ter zake van de onroerende zaak is met dagtekening 30 april 2014 de aanslag opgelegd met als heffingsmaatstaf een WOZ-waarde van de onroerende zaak van € 680.000.
4. Tot de gedingstukken behoort een door eiser als bijlage bij zijn beroepschrift overgelegde uitdraai van een pagina afkomstig van de website van het Hoogheemraadschap van Rijnland welke is getiteld ‘Regelgeving’(productie 6 bij het beroepschrift).
5. Tot de gedingstukken behoort een door verweerder overgelegd afschrift van de Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2014 (de Verordening). De Verordening, gebaseerd op de artikelen 110, 113 en 117 van de Waterschapswet (de Wet) is op
27 november 2013 door de Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap Rijnland vastgesteld en luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“(. . .)
Artikel 1 Begripsbepalingen
Deze verordening verstaat onder :
a. ingezetene: degene die blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte;
(. . .)
d. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;
(. . .)
m. de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117, aanhef, Waterschapswet.
Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen
1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven.
2. De heffing wordt geheven van hen die:
a. ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;
(. . .)
d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap.
Artikel 3 Heffingsmaatstaf
Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:
a. ter zake van ingezetenen: de woonruimte;
(. . .)
c. ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.
(. . .)”
6. Tot de gedingstukken behoort een eveneens door verweerder overgelegde uitdraai van het Waterschapsblad 2013, nr. 3842, 18 december 2013 met in de kop de aanduiding “Waterschapsblad, Officiële uitgave van Hoogheemraadschap van Rijnland”, en met voor zover hier van belang de volgende tekst:
“Belastingverordeningen 2014
In haar bijeenkomst van 27 november 2013 heeft de Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap van Rijnland de volgende belastingverordeningen voor 2013 (2014, rechtbank), met de daarin opgenomen tarieven, vastgesteld:
1. Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2014: Ingezetenen € 97,63 per woonruimte;
(. . .), gebouwd 0,0215% van de WOZ-waarde (. . .).
De verordeningen kunnen worden ingezien aan de linkerkant van deze bekendmaking vanaf
19 december. Voor de goede orde wordt erop gewezen dat tegen de verordeningen geen bezwaar en/of beroep kan worden ingesteld. (. . .)”
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, mr. E.E. Schotte en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van F.J. Crabbendam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2015.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.