RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 15/8335, SGR 15/8862, SGR 15/8863, SGR 15/8864 en SGR 15/8865
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 29 november 2016 in de zaken tussen
[eisers] , allen te [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: F. van der Tempel Jr.),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, verweerder
(gemachtigde: C. de Koning).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [persoon 1] en [persoon 2], te Almere.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [persoon 3] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een winkel-/woonpand tot winkel en een berging ten behoeve van het stallen van fietsen op de begane grond en twee studio’s en een appartement op de verdieping op het perceel gelegen aan de [adres] .
Bij besluiten van 15 oktober 2015 en 20 oktober 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [persoon 4] . Derde-partijen zijn verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en onder 9, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), de zogenoemde kruimelgevallenregeling. De afwijkingsbevoegdheid ziet in dit geval op de functiewijziging van de begane grond van het pand aan de [adres] en niet op bouwactiviteiten. Om die reden is de zinsnede van artikel 4, aanhef en onder 9, van Bijlage II bij het Bor die ziet op het bouwvolume, niet aan de orde. Verweerder mocht dan ook toepassing geven aan de kruimelgevallenregeling.
2. Hierbij komt verweerder beleidsvrijheid toe. De rechter moet de beslissing terughoudend toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
3. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De rechtbank overweegt dat het gaat om een kleine berging van 10 vierkante meter aan de achterzijde van het pand. Daarvan valt geen verandering in ruimtelijke uitstraling te verwachten. Anders dan eisers hebben gesteld, is het de rechtbank niet gebleken dat het realiseren van een fietsenberging ten koste van 10 vierkante meter winkeloppervlak in strijd is met de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland, de Regionale structuurvisie detailhandel Midden-Holland en de Centrumvisie Bodegraven. Daarin leest de rechtbank niet, zoals eisers stellen, dat per definitie het aantal winkelmeters omhoog moet. Niet ten onrechte heeft verweerder het standpunt ingenomen dat bij het aantrekkelijker maken van het kernwinkelgebied het handhaven van het aantal vierkante meters winkeloppervlak geen harde eis is. Illustratief is in dit verband de passage in de Verordening Ruimte (de toelichting op ‘artikel 2.1.4 Detailhandel’) dat voor alle winkelgebieden kwalitatieve verbetering leidend is ten opzichte van kwantitatieve versterking . In dit verband merkt de rechtbank nog op dat van belang is dat de winkelfunctie aan de voorzijde van het pand gehandhaafd blijft.
4. Bij de afweging van de betrokken belangen heeft verweerder in redelijkheid tot zijn beslissing kunnen komen. Al hetgeen eisers daar overigens tegen hebben aangevoerd, kan daaraan geen afbreuk doen.
5. Tot slot overweegt de rechtbank dat zij, anders dan door eisers is betoogd, in artikel 1.2 van de Verordening Ruimte noch elders in deze verordening leest dat er een algemene meldplicht is om met toepassing van de kruimelgevallenregeling verleende omgevingsvergunningen bij Provinciale Staten te melden.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en mr. B. Bastein, leden, in aanwezigheid van mr. F. Willems-Gerritse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.