RECHTBANK DEN HAAG
vonnis
Team handel
zaaknummer / rolnummer: 09/500324 / HA ZA 15-1301
Vonnis van 14 september 2016
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. L. Huigsloot te Rotterdam,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE),
zetelende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.
Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 17 november 2015 met producties;
de conclusie van antwoord met producties;
het tussenvonnis van 20 april 2016 waarbij comparitie na antwoord is bepaald;
het proces-verbaal van comparitie van 26 juli 2016;
de brief van de Staat van 8 augustus 2016 naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie;
de brief van mr. Huigsloot van 23 augustus 2016 met het verzoek een nieuwe comparitie van partijen te gelasten en het vonnis uit te stellen;
het B16-formulier van 24 augustus 2016, waarbij de Staat bezwaar maakt tegen inwilliging van het verzoek;
het e-mailbericht van de rechtbank van 5 september 2016 aan mr. Huigsloot, inhoudende een afwijzing van het verzoek van mr. Huigsloot.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
In verband met een tegen [eiser] gerezen verdenking van witwassen (artikel 420 bis Sr), is [eiser] op 3 oktober 2011 aangehouden op de Rijksweg A4 in een bestelauto, merk Mercedes-Benz, type Vito, met kenteken [kenteken]. De bestelauto is op grond van artikel 94 Sv ten behoeve van waarheidsvinding en met het oog op verbeurdverklaring in beslag genomen.
Bij vonnis van 14 december 2012 is [eiser] door de rechtbank Haarlem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor witwassen en valsheid in geschrift. Het Openbaar Ministerie had naast een gevangenisstraf ook verbeurdverklaring van de bestelauto gevorderd. De rechtbank heeft echter beslist dat de bestelauto aan [eiser] moest worden teruggegeven.
In hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie opnieuw verbeurdverklaring van de bestelauto gevorderd. Bij arrest van 9 mei 2014 heeft het gerechtshof Amsterdam [eiser] opnieuw veroordeeld tot een gevangenisstraf voor witwassen en valsheid in geschrift. Daarnaast heeft het gerechtshof de teruggave van (onder meer) de bestelauto aan [eiser] gelast.
Het Openbaar Ministerie heeft op 3 september 2014 de last tot teruggave in het administratiesysteem COMPAS geregistreerd. Op 23 september 2014 heeft [eiser] op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift bij het gerechtshof Amsterdam ingediend. Op 17 oktober 2014 heeft het Openbaar Ministerie opdracht gegeven aan Domeinen Roerende zaken (hierna: DRZ) tot teruggave van de bestelauto aan [eiser]. DRZ heeft op 13 november 2014 een afhaalbericht voor de bestelauto aan [eiser] verzonden, waarna [eiser] de bestelauto - hangende de klaagschriftprocedure - op 25 november 2014 heeft opgehaald. Vervolgens heeft het gerechtshof Amsterdam op 18 februari 2015 het beklag van [eiser] gegrond verklaard en geoordeeld dat de bestelauto aan [eiser] moest worden teruggegeven.
3. Het geschil
[eiser] vordert na vermindering van eis samengevat - (i) een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en derhalve gehouden is de daardoor ontstane schade te vergoeden, (ii) een veroordeling van de Staat tot betaling van € 27.352,26 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 december 2012, en (iii) een veroordeling van de Staat tot betaling van de door hem gemaakte kosten voor het opstellen van het taxatierapport ad € 121 en de proceskosten.
[eiser] heeft aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. De Staat heeft onrechtmatig jegens hem gehandeld door zijn bestelauto niet terug te geven nadat de rechtbank op 14 december 2012 de teruggave daarvan had gelast. De hoofdregel van artikel 557 lid 1 Sv is niet van toepassing, omdat de Staat misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door de bestelauto niet op last van de rechtbank aan hem terug te geven. De bestelauto was immers aanvankelijk in beslag genomen ten behoeve van de waarheidsvinding en daarvoor zijn geen jaren nodig.
De advocaat-generaal heeft zich in de beklagprocedure niet verzet tegen de teruggave van de bestelauto, waaruit blijkt dat het ressortsparket in hoger beroep geen belang (meer) zag bij het voortduren van het beslag. De bestelauto is veel te laat teruggegeven, waardoor [eiser] schade heeft geleden. Door het grote tijdsverloop is de waarde van de auto dusdanig gedaald, dat [eiser] zich genoodzaakt zag de bestelauto te verkopen voor € 2.750. De executiewaarde van de bestelauto bedroeg op dat moment € 3.700. Bij de berekening van de schade moet worden uitgegaan van de executiewaarde van de bestelauto op het moment van teruggave door het Openbaar Ministerie. De schade bedraagt dan € 27.352,26 (aanschafwaarde van € 30.931,26 minus de executiewaarde van € 3.700 plus de kosten van het taxatierapport van € 121).
De Staat heeft tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd en daartoe aangevoerd dat noch de inbeslagname van de bestelauto, noch het voortduren van het beslag na het vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 december 2012 tot het moment van teruggave op 25 november 2014, onrechtmatig was. Teruggave van de in beslag genomen bestelbus op grond van artikel 557 lid 1 Sv is pas aan de orde na de uitspraak in hoger beroep van 9 mei 2014; het door het Openbaar Ministerie tegen de last tot teruggave aangewende rechtsmiddel schorste de last tot teruggave tot het moment waarop dat rechtsmiddel zou worden ingetrokken of daarop zou worden beslist. Van misbruik van omstandigheden is geen sprake. De officier van justitie heeft immers zowel in eerste aanleg als in appel verbeurdverklaring van de auto gevorderd. Vervolgens moet aan de Staat een redelijke termijn van zes weken worden gegund om aan de last tot teruggave te voldoen. Het totale tijdsverloop na afloop van de redelijke termijn en een vertraging door puur en alleen een administratieve omissie, maken niet dat er onrechtmatig is gehandeld. De hoogte van de gestelde schade wordt betwist.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat de inbeslagname van de bestelauto op
3 oktober 2011 rechtmatig was. In geschil is of het voortduren van het beslag na de door de rechtbank Haarlem op 14 december 2012 gegeven last tot teruggave van de bestelauto onrechtmatig was.
Artikel 557 lid 1 Sv bepaalt dat een beslissing waartegen een rechtsmiddel is aangewend, niet ten uitvoer mag worden gelegd totdat het rechtsmiddel is ingetrokken of daarop is beslist. Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 december 2012. Dit heeft de door de rechtbank Haarlem gegeven last tot teruggave van de bestelauto geschorst tot het moment waarop het gerechtshof Amsterdam op het hoger beroep besliste. Gelet hierop was de Staat niet verplicht de bestelauto direct na het vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 december 2012 aan [eiser] terug te geven. Omdat het Openbaar Ministerie in hoger beroep opnieuw verbeurdverklaring van de bestelauto heeft gevorderd en hij er ook een redelijk belang bij had die vordering in hoger beroep te handhaven, heeft hij – anders dan [eiser] betoogt –
geen misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid om geen gevolg te geven aan de door de rechtbank Haarlem gegeven last tot teruggave van de bestelauto.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het Openbaar Ministerie een redelijke termijn gegund moet worden om aan de last tot teruggave te voldoen. De Staat heeft aangevoerd dat er - alvorens kan worden overgegaan tot teruggave - intern wordt gediscussieerd over de vraag of er cassatie moet worden ingesteld (hetgeen de door het gerechtshof gegeven last tot teruggave op grond van 557 lid 1 Sv opnieuw zou hebben geschorst). Voor de teruggave zelf moeten verschillende administratieve handelingen worden verricht, moet er worden gecommuniceerd met DRZ en moet er een afhaalbericht aan de rechthebbende worden verstuurd. Bij deze werkzaamheden zijn meerdere personen betrokken. Gelet hierop acht de rechtbank een termijn van zes weken redelijk voor de afwikkeling van het beslag. De Staat handelde niet onrechtmatig door de bestelauto niet direct na het arrest van het hof op 9 mei 2014 aan [eiser] terug te geven, maar mocht een redelijke termijn van zes weken hanteren om aan de last tot teruggave te voldoen.
Naar het oordeel van de rechtbank had het Openbaar Ministerie de bestelauto wel na afloop van die redelijke termijn moeten teruggeven aan [eiser]. De Staat – zo staat vast – heeft de last tot teruggave vertraagd in het administratiesysteem COMPAS geregistreerd, als gevolg waarvan de redelijk termijn is overschreden. Vast staat ook dat van het tijdsverloop vanaf het moment waarop de redelijke termijn van zes weken verstreek tot aan het moment waarop [eiser] het afhaalbericht van DRZ ontving, [eiser] geen verwijt valt te maken. Anders dan de Staat is de rechtbank dan ook van oordeel dat het uitblijven van de het afhaalbericht als gevolg van een administratieve omissie bij het Openbaar Ministerie vanaf 20 juni 2014 wel degelijk onrechtmatig handelen van de Staat jegens [eiser] oplevert.
Tijdsverloop leidt doorgaans tot waardevermindering van een voertuig. De Staat heeft dat ook niet betwist. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de waardevermindering in de periode van 20 juni 2014 - het moment waarop het beslag onrechtmatig werd - tot 14 november 2014 - het moment waarop [eiser] het afhaalbericht van DRZ moet hebben ontvangen. De rechtbank zal bij het begroten van de schade uitgaan van de daling van de handelswaarde gedurende de periode dat het beslag onrechtmatig was. Dat [eiser] de auto onder de handelswaarde heeft verkocht, dient - gelet op de schadebeperkingsplicht van [eiser] op grond van artikel 6:101 BW - voor zijn rekening te blijven.
Blijkens het door de Staat als productie 3 overgelegde rapport is de getaxeerde handelswaarde van de bestelauto op 29 maart 2012 (twee jaar na de eerste toelating), € 7.650. Weliswaar heeft mr. Huigsloot ter comparitie haar twijfels over de objectiviteit van dit rapport geuit omdat de taxatie in opdracht van het Openbaar Ministerie is uitgebracht, doch dit levert op zichzelf bezien onvoldoende grond op om het rapport terzijde te leggen. Desgevraagd heeft mr. Huigsloot ter comparitie geen aanknopingspunten gegeven voor de berekening van de waardevermindering in de periode vanaf 20 juni tot 14 november 2014. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de door de Staat gestelde handelswaarde op 29 maart 2012. Uit het door [eiser] als productie 7 overgelegde (en door de Staat niet bestreden) taxatierapport blijkt dat de handelswaarde van de bestelauto vlak na het op 13 november 2014 door DRZ aan [eiser] gestuurde afhaalbericht is getaxeerd op € 4.700. Uitgaande van een lineaire afschrijving, bedraagt de afschrijving in de periode van 29 maart 2012 tot en met 14 november 2014 € 92 per maand ((€ 7.650 - € 4.700) / 32 maanden). Het beslag heeft vijf maanden onrechtmatig voortgeduurd, zodat de rechtbank de waardedaling begroot op € 460 (€ 92 x 5 maanden). De rechtbank zal de Staat dan ook veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 460 als vergoeding van de door [eiser] geleden schade ten gevolge van het beslag dat vijf maanden lang onrechtmatig heeft voortgeduurd.
Nu de rechtbank tot het oordeel komt dat de Staat aan [eiser] een schadevergoeding dient te betalen, heeft [eiser] geen zelfstandig belang bij de door hem gevorderde verklaring voor recht, zodat deze zal worden afgewezen.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW is de vordering tot vergoeding van de kosten van het taxatierapport ter hoogte van € 121 toewijsbaar.
Bij deze uitkomst zal de rechtbank de Staat veroordelen in de proceskosten van [eiser], tot op heden te begroten op € 940,19, waarvan € 172,19 aan explootkosten en
€ 768 aan salaris advocaat (twee punten à € 384, tarief I).
5. De beslissing
De rechtbank:
veroordeelt de Staat tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 460 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2014 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt de Staat tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 121 betreffende de kosten van het taxatierapport;
veroordeelt de Staat om voor de proceskosten van [eiser] te betalen ten eerste aan de griffier van deze rechtbank na ontvangst van een nota een bedrag van € 94,19 voor deurwaarderskosten (inclusief BTW), en ten tweede aan [eiser] een totaalbedrag van € 846 voor betaald griffierecht en forfaitair salaris advocaat;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C. Kranenburg en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2016.