VOORZIENINGENRECHTER VAN DE Rechtbank Den Haag
uitspraak van 10 juni 2016 in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker, V-nummer [V-nummer]
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/12697
(gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán),
en
(gemachtigde: mr. A. Tardjopawiro).
Procesverloop
Op 30 mei 2016 heeft verzoeker een kennisgeving ‘herhaald asielverzoek’ ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Op 6 juni 2016 heeft Vluchtelingen Werk Midden-Nederland (VWN) namens verzoeker het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) verzocht verzoeker opvang te verlenen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (RVA 2005).
Op 6 juni 2016 heeft verweerder per mail gereageerd met de mededeling dat het verzoek om opvang pas kan worden beoordeeld als verzoeker zich meldt bij het Aanmeldcentrum Ter Apel.
Op 9 juni 2016 heeft verzoeker bezwaar ingediend tegen de fictieve weigering opvang te verlenen, zijnde een handeling jegens een vreemdeling als zodanig als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een ordemaatregel dan wel voorlopige voorziening te treffen in die zin dat aan verzoeker opvang dient te worden geboden.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker spoedeisend belang heeft als
bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu verzoeker onder intensieve medische behandeling staat en in de nachtopvang verblijft.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter,
indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden
geschaad, uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. Daarvoor bestaat in dit geval
aanleiding.
3. Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift tegen de fictieve weigering opvang te verlenen aangevoerd, kort weergegeven, dat hij met het indienen van het kennisgevingsformulier ‘herhaald asielverzoek’ op 30 mei 2016 een aanvraag heeft ingediend in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van de RVA 2005 juncto artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de RVA 2005 recht heeft op opvang, aldus verzoeker. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst verzoeker naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:945, waarin deze heeft geoordeeld dat een kennisgeving ‘verzoek om toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw 2000’ beschouwd moet worden als een (onvolledige) aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet gehouden is de verzochte opvang te verlenen, omdat verzoeker met het enkel indienen van het kennisgevingsformulier ‘herhaalde asielaanvraag’ (nog) niet onder de reikwijdte valt van de RVA 2005. Weliswaar heeft verzoeker een aanvraag ingediend als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, echter deze aanvraag dient, gelet op het bepaalde in artikel 3.118b van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000, thans nog als een onvolledige aanvraag te worden aangemerkt zoals bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Verzoeker dient zijn herhaalde asielaanvraag, na daartoe door verweerder in de gelegenheid te zijn gesteld, nog te completeren op de in voornoemd beleid genoemde wijze. Eerst dan is sprake van een volledige asielaanvraag op grond waarvan verzoeker ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de RVA 2005 juncto artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de RVA 2005 recht heeft op opvang.
6. Het verzoek komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
7. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.