[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats], verweerder.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van verweerder van 8 december 2016 op de bezwaren van eiser tegen de aan hem voor de jaren 2011, 2012 en 2013 opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de daarbij opgelegde beschikkingen heffingsrente (2011) dan wel belastingrente (2012 en 2013).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017.
Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. G.H. Diesvelt en [persoon] .
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft aangiften IB/PVV voor de jaren 2011, 2012 en 2013 ingediend. Daarbij is steeds een verlies uit onderneming in aanmerking genomen. De aanslagen voor deze jaren zijn vastgesteld zonder correctie van de verliezen.
2. Naar aanleiding van de door eiser ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2014, waarbij wederom een verlies uit onderneming werd aangegeven, is door verweerder onderzocht of ter zake van de onderneming nog sprake was van een bron van inkomen. Het onderzoek wees uit dat het aangegeven verlies voor de jaren 2011 en 2012 deels en voor het jaar 2013 geheel betrekking had op beleggingen. Ter correctie van deze verliezen zijn de navorderingsaanslagen opgelegd.
3. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslagen heeft mogen opleggen. De omvang van de navorderingsaanslagen als zodanig is niet in geschil.
4. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (Awr) te weinig geheven belasting kan worden nagevorderd. Navordering is echter niet mogelijk als het feit op grond waarvan wordt nagevorderd de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had behoren te zijn (“nieuw feit”). Is de belastingplichtige te kwader trouw, dan kan ook worden nagevorderd als geen sprake is van een nieuw feit.
5. Dat verweerder ermee bekend werd dat het door eiser aangegeven verlies betrekking had op beleggingen, kan volgens eiser in dit geval niet als een nieuw feit worden aangemerkt. Immers een feit dat verweerder pas ontdekt na onderzoek in het kader van de aanslagregeling 2014 kan niet tevens een nieuw feit kan zijn voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Voorts voert eiser aan dat hij in de jaren voorafgaande aan 2011 ook winst uit onderneming heeft aangegeven en verweerder reeds toen onderzoek had moeten doen.
6. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Awr, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de door navordering te corrigeren handeling tot stand is gekomen (vgl. Hoge Raad 5 juli 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9555). De navorderingsaanslagen zijn opgelegd ter correctie van de aan eiser opgelegde aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Omdat die aanslagen al waren vastgesteld nog voordat verweerder had geconstateerd dat de verliezen (deels) betrekking hadden op beleggingen, vormt de latere ontdekking daarvan een nieuw feit beoordeeld naar het tijdstip waarop de aanslagen tot stand zijn gekomen. De vraag die dan nog resteert is of verweerder de aangiften op het onderdeel van de verliezen niet had moeten onderzoeken voordat hij de aanslagen zou vaststellen.
7. Met betrekking tot de onderzoeksplicht van verweerder bij het vaststellen van een aanslag geldt dat verweerder als regel met vertrouwen mag afgaan op de aangifte van een belastingplichtige. Verweerder is slechts gehouden een onderzoek in te stellen indien er bijzondere omstandigheden zijn die hem reden geven om aan de juistheid van een ingediende aangifte te twijfelen (vgl. Hoge Raad 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:BG9068). Naar het oordeel van de rechtbank behoefde verweerder, na met normale zorgvuldigheid van de door eiser voor de jaren 2011, 2012 en 2013 ingediende aangiften IB/PVV te hebben kennis genomen, in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de daarin vermelde gegevens. Verweerder was dus niet gehouden tot het instellen van een nader onderzoek. De rechtbank weegt in dit oordeel mee dat eiser in de jaren voorafgaande aan 2011 ook winst uit onderneming had aangegeven en dat het aangegeven verlies uit onderneming in dat licht bezien geen bijzondere omstandigheid vormde.
8. Eiser heeft zich nog beroepen op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op deze rechtsbeginselen niet. Aan het enkele feit dat de voor de jaren 2011, 2012 en 2013 opgelegde aanslagen IB/PVV zijn vastgesteld conform de ingediende aangiften, kan geen in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend (vgl. Hoge Raad, 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179). Voorts is gesteld noch gebleken dat verweerder ten aanzien van de beleggingen een standpunt heeft ingenomen waarop eiser zich in rechte kan beroepen.
9. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte heffingsrente (2011) en belastingrente (2012 en 2013). Eiser heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente en belastingrente onjuist zijn toegepast, zijn de beroepen ook in zoverre ongegrond.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder de navorderingsaanslagen IB/PVV terecht opgelegd en zijn de beroepen ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2017.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,
2500 EA Den Haag.