RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/2160
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 25 juli 2017 in de zaak tussen
geboren op [geboortedatum] ,
eiseres,
(gemachtigde: mr. C.C. Westermann-Smit, advocaat te Haarlem),
en
(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Bij brief van 30 juni 2017 heeft verweerder de nadere informatie in het geding gebracht. Eiseres heeft hierop bij brief van 7 juli 2017 gereageerd.
De rechtbank heeft op 14 juli 2017, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting, het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiseres zich kan wenden tot de gemeente waarin zij staat ingeschreven in de BRP met een verzoek op grond van artikel 2.58 van de Wet BRP tot verbetering van haar gegevens in de BRP inzake haar nationaliteit. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van de gemeente moet krachtens artikel 2.58, tweede lid, van de BRP aan een verzoek tot verbetering van de eiseres betreffende gegevens uitvoering geven met inachtneming van, onder meer, artikel 2.17 van de Wet BRP (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2229). Dat betekent dat verweerder in dat kader alsnog aan het college zal moeten meedelen of hij in het kader van de toelatingsprocedure van eiseres aannemelijk heeft geacht dat zij staatloos Palestijn is, zoals zij aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.De rechtbank wijst verweerder in dit verband op het bepaalde in voormelde memorie van toelichting bij artikel 2.17 van de Wet BRP:
Het komt voor dat bij de inschrijving van een vreemdeling die tot Nederland wordt toegelaten, het niet mogelijk is om de geboortedatum en de nationaliteit van betrokkene vast te stellen overeenkomstig de regels van de artikelen 2.8 en 2.15. […]. Het kan voorts zo zijn dat - ook door een gebrek aan documenten - de nationaliteit van de betrokkene niet met zekerheid is vast te stellen. De regels van de artikelen 2.8 en 2.15 leiden er in deze gevallen toe dat de geboortedatum of de nationaliteit niet als zodanig in de basisregistratie kunnen worden opgenomen; er zou dan vermeld worden dat zij onbekend zijn.Het is goed denkbaar dat in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland er door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een aanname is gedaan omtrent deze gegevens, omdat zij in dat kader vastgesteld worden om een besluit inzake de toelating te kunnen nemen. De IND zal in een dergelijk geval de best mogelijke aanname doen omtrent de geboortedatum en de nationaliteit – en op grond daarvan beslissen omtrent de toelating. Nu is het in het algemeen de bedoeling om in de basisregistratie feiten vast te leggen, geen aannames. Maar in dit bijzondere geval is er aanleiding om de door de IND vastgestelde gegevens op te nemen in de basisregistratie, als zij (nog steeds) niet op grond van de artikelen 2.8 en 2.15 vastgesteld kunnen worden. Zowel voor de betrokkene zelf als voor de overheidsorganen die gebruik maken van de gegevens uit de basisregistratie is het belastend als deze gegevens als onbekend staan geregistreerd in deze registratie. Daarom maakt dit artikel het mogelijk om in dit bijzondere geval de door de IND in het kader van de toelating vastgestelde gegevens, op te nemen in de basisregistratie. […]. De wijziging kan geschieden op verzoek van de betrokkene, maar kan ook ambtshalve plaatsvinden.
Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, kan hij dus in het kader van artikel 2.17 van de Wet BRP niet uitsluitend een mededeling doen aan het college over de staatloosheid van eiseres indien zij die staatloosheid heeft aangetoond met documenten, zoals een origineel document van registratie als Palestijnse vreemdeling die onder het mandaat valt van de United Nations Relief and Works Agency (UNRWA).
Tegen een besluit van het college op het verzoek tot verbetering van haar gegevens in de BRP kan eiseres zonodig bezwaar en beroep instellen. In die procedure kan zij haar standpunt aan de orde stellen dat het college bij de inschrijving van haar nationaliteit als ‘onbekend’ niet heeft mogen afgaan op de mededeling van verweerder krachtens artikel 2.17 van de Wet BRP, nu verweerder daarbij geen inzicht heeft gegeven in zijn standpunt over de aannemelijkheid van de door eiseres gestelde staatloosheid in het kader van de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2017.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll: