RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.15894
(gemachtigde: mr. drs. E.W.B. van Twist),
en
(gemachtigde: mr. F. Ticheler).
Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 augustus 2018 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.15895, plaatsgevonden op 27 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Russische nationaliteit. In rechte staat vast dat hij op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is uitgesloten van de vluchtelingenstatus en dat hij om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Ook staat vast dat eiser niet uit Nederland kan worden verwijderd vanwege een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
2. Bij brief van 12 november 2017 heeft eiser verzocht om toetsing aan het beleid inzake duurzaamheid en disproportionaliteit, zoals opgenomen in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Daarbij is gebruik gemaakt van het formulier “kennisgeving aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd”. Bij brief van 14 december 2017 heeft verweerder verzocht om met gebruikmaking van het formulier “kennisgeving tweede of volgende asielaanvraag” een opvolgende asielaanvraag in te dienen, omdat de toets aan het voornoemde beleid plaatsvindt in het kader van een asielaanvraag. Op 8 januari 2018 heeft eiser deze (opvolgende) asielaanvraag ingediend.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser aan de opvolgende aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag tevens getoetst aan de beleidsregels in paragraaf C2/7.10.2.6. van de Vc.
4. Gelet op de beroepsgronden en het verhandelde ter zitting is uitsluitend in geschil of eiser op grond van genoemd beleid een reguliere verblijfsvergunning had moeten krijgen.
5. Uit verweerders voornemen van 27 augustus 2018, dat in het bestreden besluit is gehandhaafd, volgt dat verweerder de bevoegdheid tot het ambtshalve meetoetsen aan dit beleid heeft willen ontlenen aan artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) dat als volgt luidt: “Onverminderd de artikelen 3.6 en 3.6a kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met medische behandeling, tijdelijke humanitaire gronden of niet-tijdelijke humanitaire gronden.”
6. Nu op grond van artikel 3.6a, eerste lid, van het Vb alleen bij afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend en in dit geval sprake is van een opvolgende aanvraag, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd tot het ambtshalve verlenen van een vergunning met toepassing van paragraaf C2/7.10.2.6. van de Vc. De rechtbank wijst in dat verband nog op de nota van toelichting (Stb 2013, 580) bij het Besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vb (stroomlijning toelatingsprocedures) waarin is vermeld dat bij een tweede of volgende asielaanvraag wordt gestreefd naar een versnelde afdoening en dat alleen nog wordt gekeken of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Als er zowel een asielnovum als een humanitair-regulier novum worden ingebracht, komen deze niet in dezelfde toets aan de orde. Er zullen dan twee aparte vervolgaanvragen moeten worden ingediend.
7. Nu verweerder in dit geval niet bevoegd was tot het ambtshalve meetoetsen aan zijn reguliere beleid, kan eiser met het beroep, voor zover gericht tegen de beslissing op de asielaanvraag, niet bereiken wat hij beoogt. Gelet op het uitdrukkelijke verzoek in eisers brief van 12 november 2017 om een reguliere verblijfsvergunning, is er naar het oordeel van de rechtbank evenwel aanleiding om het beroep op te vatten als gericht tegen de weigering van verweerder om te beslissen op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden.
8. Nu gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat verweerder ten onrechte niet op de reguliere aanvraag van eiser heeft beslist, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd, voor zover daarbij is geweigerd om aan eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Verweerder zal worden opgedragen alsnog een besluit te nemen op eisers aanvraag van 12 november 2017. Omdat verweerder alsnog moet beslissen op deze reguliere aanvraag, is er voor de rechtbank geen ruimte om het geschil finaal te beslechten.
9. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzitter, en mr. C. van Boven-Hartogh en mr. J.F.I. Sinack, leden, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.