RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2018 in de zaak tussen
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 18/5452
[naam 1] , eiser
(gemachtigde: mr. F.A. van de Berg),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
Bij besluit van 7 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede op dit besluit betrekking.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de zaak met nummer AWB 18/5453, plaatsgevonden op 22 november 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam 2] (referente). Als tolk was aanwezig A. Idris. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Ten behoeve van hem is door referente, die zijn echtgenote stelt te zijn, een aanvraag ingediend om verlening van een mvv in het kader van nareis, binnen drie maanden nadat aan haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend. Referente heeft gelijktijdig om nareis van vijf gestelde pleegkinderen gevraagd. Deze aanvragen zijn behandeld in bovengenoemde zaak met nummer AWB 18/5453.
2. Bij besluit van 26 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat de identiteit van eiser en de gestelde familierechtelijke relatie met referente niet aannemelijk is gemaakt. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beoordelingskader
4. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), voor zover van belang, kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de echtgenoot van de vreemdeling aan wie een asielvergunning is verstrekt indien deze op het tijdstip van diens binnenkomst behoorde tot diens gezin en binnen drie maanden zijn nagereisd.
5. Volgens C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover van belang, moet de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw zijn identiteit en de gestelde familierelatie aannemelijk maken door het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander officieel en door de autoriteiten afgegeven document dat zijn identiteit aantoont, en, voor zover van toepassing, met een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont. Als de vreemdeling dat niet kan, moet hij aannemelijk maken dat dit niet aan hem is toe te rekenen (bewijsnood).
6. Na het primaire besluit heeft verweerder een nieuwe gedragslijn aangenomen voor het beoordelen van nareiszaken. Die houdt - kort weergegeven - in dat verweerder ook andere bewijsmiddelen dan officiële documenten in zijn beoordeling betrekt, ongeacht de vraag naar bewijsnood. Deze kunnen aanleiding geven tot nader onderzoek. Daarbij wordt in aanmerking genomen of de vreemdeling een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van officiële documenten, of de bedoelde andere bewijsmiddelen substantieel bewijs opleveren en of er sprake is van contra-indicaties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 16 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1508) geoordeeld dat deze gedragslijn in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn).
Werkinstructie 2014/9
7. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat hij zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft bewijsnood aangenomen voor het ontbreken van een paspoort, maar niet voor het ontbreken van een identiteitskaart. Eerst in beroep heeft eiser verklaard dat hij een identiteitskaart heeft aangevraagd, maar dat hij deze niet in ontvangst heeft kunnen nemen omdat hij is opgepakt en in detentie is geplaatst. Verweerder acht deze verklaring onvoldoende. Ten aanzien van de gestelde familierechtelijke relatie met referente heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat deze niet kan worden vastgesteld omdat eisers identiteit niet vast staat en omdat de door referente overgelegde huwelijksakte vals is bevonden. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om een identificerend gehoor aan te bieden.
8. Eiser voert daartegen aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de Werkinstructie 2014/9, die ten tijde van de aanvraag nog gold. In paragraaf 2.1.1.1 van deze instructie is opgenomen dat “bij asielprocedures (waaronder nareis) geldt dat, als de documenten vals, vervalst of niet echt bevonden worden, alsnog een interview met identificerende vragen (ter vaststelling van de identiteit en gezinsband) en eventueel een DNA-onderzoek wordt aangeboden.”
9. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze interne, procedurele werkinstructie niet heeft te gelden als beleid en daarmee niet is aan te merken als recht zoals bedoeld in artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder beroept zich daarbij op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 maart 2010 (ECLI:NL:RBAMS:2010:1273), die met toepassing van artikel 91, tweede lid, van de Vw is bevestigd door de Afdeling.
10. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Anders dan in de hiervoor genoemde uitspraak, waarin het ging om een interne werkinstructie die niet te beschouwen was als kenbaar beleid, is de Werkinstructie 2014/9 een openbare, extern gerichte werkinstructie. Deze werkinstructie is een algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, waarin anders dan verweerder stelt niet slechts procedurele aspecten aan de orde komen, maar waarin uiteen wordt gezet wanneer een DNA-onderzoek of identificerend gehoor aan de orde is. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze werkinstructie kwalificeert als beleid in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en als recht in de zin van artikel 1.27 van het Vb. Dit is in navolging van de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:12179) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 1 november 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:13015). Niet is gebleken dat in het geval van eiser het recht ten tijde van het bestreden besluit gunstiger was.
Conclusie
11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de Werkinstructie 2014/9 en ten onrechte geen identificerend gehoor aan eiser heeft aangeboden. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en dient te worden vernietigd. Aan bespreking van de overige beroepsgronden wordt niet toegekomen.
12. Het beroep is gegrond. Gelet op het nog door verweerder uit te voeren onderzoek, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. De rechtbank zal verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
13. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002,- bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1. Daarnaast moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.