RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2018 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.11911
gemachtigde: mr. S.C. van Paridon,
en
gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis.
Procesverloop
Verweerder heeft op 4 oktober 2017 een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen. Verweerder heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt op 7 december 2017. Eiser heeft gereageerd op 20 december 2017. De rechtbank heeft het onderzoek, nadat toestemming is verkregen van partijen de zaak zonder nadere zitting af te doen, gesloten.
Overwegingen
Het terugkeerbesluit
1. Het terugkeerbesluit vermeldt dat eiser de Europese Unie (EU) onmiddellijk dient te verlaten, omdat is gebleken dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, aangezien hij:
(zware gronden)
3a: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging
daartoe gedaan;
3b: zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken.
(lichte gronden)
4a: zich niet aan één of meer andere voor hem/haar geldende verplichtingen van
hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c: geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4e: verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat hem niet als grond voor het terugkeerbesluit kan worden tegengeworpen dat hij met een vooraf gemaakt plan om illegaal naar Engeland te gaan naar Nederland is gekomen. Eiser betwist dat hij misbruik heeft gemaakt van de vrije termijn. Deze beroepsgrond faalt.
Eiser heeft gelet geprobeerd op illegale wijze uit te reizen uit Nederland en geprobeerd een buitengrens van het Schengengebied te overschrijden anders dan langs een doorlaatpost als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de SGC. Hierdoor heeft eiser zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 108 van de Vw 2000 en voldeed eiser niet meer aan artikel 12, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. De zogenaamde vrije termijn was daarmee niet langer op eiser van toepassing. Het vorenstaande brengt met zich dat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit niet rechtmatig in Nederland verbleef. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook vanwege de uit eisers verklaringen blijkende kennelijke intentie om illegaal door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk, hij geen recht had op een vrije termijn die hij als Albanees met een biometrisch paspoort heeft.
3. Eiser voert als beroepsgrond aan dat verweerder de belangen niet goed heeft geïnventariseerd, omdat het terugkeerbesluit om 19.17 uur is opgelegd, terwijl uit het proces-verbaal van gehoor terugkeerbesluit en inreisverbod twee minuten eerder was aangevangen. Deze beroepsgrond faalt.
Uit de aanvullende stukken van verweerder blijkt dat het gehoor bedoeld in artikel 5.2 Vreemdelingenbesluit plaatsvond op 4 oktober 2017 om 18.50 uur. Het tijdstip van 19.15 uur in het proces-verbaal van gehoor terugkeerbesluit en inreisverbod, betreft de ‘systeemtijd’ waarop hij dat proces-verbaal heeft aangemaakt. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen.
4. Het beroep, voor zover het betrekking heeft op het terugkeerbesluit, is daarom ongegrond.
Het inreisverbod
5. Het inreisverbod houdt in dat eiser de EU twee jaar niet mag inreizen, te rekenen vanaf de datum waarop hij de EU heeft verlaten.
6. Eiser voert als beroepsgrond aan dat het opleggen van een inreisverbod onvoldoende gemotiveerd is. Tijdens het gehoor terugkeerbesluit en inreisverbod heeft eiser verklaard dat hij in Italië heeft verbleven bij zijn neven. Deze beroepsgrond slaagt.
Blijkens het proces-verbaal van gehoor terugkeerbesluit en inreisverbod van 4 oktober 2017 is eiser er op gewezen dat op grond van (bijzondere) individuele omstandigheden van het opleggen van het inreisverbod kan worden afgezien en dat het aan eiser is deze omstandigheden aan te voeren. Eiser heeft vervolgens verklaard dat hij een tijdje bij zijn neven in Italië heeft gelogeerd. Het besluit van 4 oktober 2017 vermeldt dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van dit besluit. In het besluit noch het proces-verbaal van voormeld gehoor heeft verweerder gemotiveerd waarom hij in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat het voor hem niet mogelijk is om zijn familieleden te bezoeken, geen aanleiding ziet om af te zien van het opleggen van het inreisverbod. Aldus ontbreekt een kenbare motivering waaruit blijkt dat de door eiser gestelde belangen zijn betrokken. Verweerder is hierop eerst ter zitting ingegaan. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het besluit tot het opleggen van het inreisverbod vernietigen.
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde inreisverbod in stand laten. Verweerder heeft met de ter zitting gegeven motivering, dat eiser niet nader heeft gespecificeerd dat sprake is van een hechte band met de door hem genoemde familieleden, alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom voormelde omstandigheden geen aanleiding geven om het inreisverbod niet uit te vaardigen dan wel de duur daarvan te verkorten.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0.5 punt voor het indienen van een nadere reactie, met een waarde per punt van € 501, - en wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de gemachtigde van eiser.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit ongegrond;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 oktober 2017 voor zover dit betrekking heeft op het
inreisverbod;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.252,50 door verweerder te betalen aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van H. Philips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2018.
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.