ECLI:NL:RBDHA:2018:3425

ECLI:NL:RBDHA:2018:3425, Rechtbank Den Haag, 20-03-2018, AWB - 17 _ 14517

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-03-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 17 _ 14517
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2019:2863
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Nareis Syrië, meerderjarig kind, feitelijke gezinsband doorbroken

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[de man] ,

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/14517

[persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 maart 2018 in de zaak tussen

geboren op [geboortedatum] 1995, van Syrische nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. C.J. Ullersma),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), verweerder

(gemachtigde mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Met het besluit van 13 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [de vrouw] , referente, van 9 maart 2016 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiser afgewezen. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 23 augustus 2017 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Op 18 september 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig referente, en W. Fadl, tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de feitelijke gezinsband was verbroken op het moment dat eiseres het land van herkomst verliet. Eiser is door referente eind 2012 naar Libanon gebracht. Eiser was dus op de peildatum, de datum dat referente uit Syrië vertrok, juli 2015, al twee en een half jaar weg uit het gezin van referente. Eiser heeft de stelling dat zijn paspoort niet geldig is, niet onderbouwd. In Libanon heeft eiser, zoals hij op de ambassade heeft verklaard, eerst met twee neven verbleven en daarna is hij naar zijn oom, de broer van zijn moeder, gegaan. Eiser heeft tweemaal een periode van zes maanden verblijfsrecht gehad in Libanon en heeft in die periode gewerkt in een supermarkt. Daarmee is sprake van twee in het beleid genoemde contra-indicaties. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de individuele omstandigheden van eiser voldoende meegewogen.

7. Eiser heeft op de zitting naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 september 2017 en 9 november 2017 verwezen en gesteld dat relevant is of het sprake is van vertrek uit het gezin voor of tijdens de burgeroorlog. De Afdeling is in deze uitspraken niet toegekomen aan een oordeel over de vluchtelingenomstandigheden omdat, anders dan in deze zaak, sprake was van vertrek voor het uitbreken van de burgeroorlog. Naar het oordeel van de rechtbank kan de reden van vertrek van belang zijn. Verweerder heeft hier in het bestreden besluit ook aandacht voor gehad. De rechtbank ziet niet in dat de verwijzing naar deze uitspraken eiser kan baten. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM kan niet inhoudelijk worden beoordeeld in het kader van een aanvraag tot een verblijfsvergunning nareis. Zo blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de Vw 2000 buiten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 (oud) (thans artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000) geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten voormelde bepalingen plaats dient te vinden in een procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning regulier. De aangehaalde uitspraken en het genoemde beleid van verweerder zien op de afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en baten eiser daarom niet. De beroepsgrond slaagt niet.

9. De rechtbank volgt eiser niet in het aangevoerde dat de hoorplicht is geschonden. Van het horen van belanghebbenden kan onder meer worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is het geval als uit het bezwaarschrift zelf direct blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd. Gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd en de motivering van het primaire besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet ten onrechte kennelijk ongegrond geacht en van het horen van eiser mogen afzien.

10. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EKS

D:

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: de vreemdeling die als partner of meerder jarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?