RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 18/9556
[naam] , eiseres,
gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel,
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 november 2018 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 25 september 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam 2] , referent, en A. Solomon, tolk Tigrinya. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Overwegingen
5. Eiseres heeft geen officiële identificerende documenten overgelegd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van februari 2017 en het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van juni 2018 blijkt dat alle Eritreeërs vanaf 18 jaar in beginsel over één of meer identiteitsdocumenten beschikken. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat dit discutabel is, gelet op de voetnoten in het meest recente ambtsbericht. Dat er gebruik wordt gemaakt van vertrouwelijke bronnen, betekent niet dat niet van het ambtsbericht uit kan worden gegaan. Dat in voetnoot 123 van het laatste ambtsbericht is vermeld dat er beperkt nader onderzoek is uitgevoerd, vindt de rechtbank daarvoor ook onvoldoende. Ook de verwijzing naar een e-mail van prof. Kibreab van februari 2016 kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze e-mail niet is voorzien van een bronvermelding. Het is daarom aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij nooit in het bezit is geweest van officiële identiteitsdocumenten. De enkele stelling dat zij deze nooit heeft aangevraagd, is onvoldoende. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiseres niet in bewijsnood verkeert.
6. Vervolgens is in geschil of eiseres substantieel indicatief bewijs van haar identiteit heeft overgelegd. Zij heeft een kerkelijke huwelijksakte, een verklaring van het huwelijk, een kopie van een rantsoenkaart en een registratie van een vluchtelingenkamp overgelegd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat geen van deze documenten zijn opgemaakt door de Eritrese autoriteiten en dat onduidelijk is welke documenten ten grondslag hebben gelegen aan de afgifte ervan. Daarom moet ervanuit worden gegaan dat deze documenten op eigen verklaring van eiseres zijn afgegeven. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat er geen sprake is van substantieel indicatief bewijs. Ter zitting heeft eiseres nog verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 14 september 2018. Deze verwijzing kan niet tot een ander oordeel leiden, nu de genoemde uitspraak op 27 februari 2019 is vernietigd door de Afdeling.
7. In beroep heeft eiseres nog een kopie van een bewonerspas overgelegd. Verweerders standpunt dat dit document, gelet op de ex-tunc-toetsing in beroep, niet bij de beoordeling kan worden betrokken, volgt de rechtbank niet. Dit document is immers overgelegd ter onderbouwing van de al in de aanvraagfase gestelde identiteit. De rechtbank volgt wel het subsidiaire standpunt van verweerder dat ook dit document niet kan worden aangemerkt als substantieel bewijs. Daarbij is van belang dat de bewonerspas geen pasfoto bevat, waardoor niet kan worden vastgesteld dat deze pas inderdaad aan eiseres toebehoort.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres haar identiteit niet heeft aangetoond. Omdat de identiteit van eiseres niet vast is komen te staan, kan de gestelde familierechtelijke relatie met referent ook niet worden aangetoond. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bespreking van de beroepsgronden met betrekking tot die relatie.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.