RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL19.12483
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G. van Reemst),
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.H.M. Post).
Procesverloop
Op 3 juni 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 17 april 2015. Dit besluit staat inmiddels vast.
Op 10 augustus 2018 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL19.12484).
Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019, tegelijk met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening.
De enkelvoudige kamer heeft de beroepszaak voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer.
Bij uitspraak van 17 juni 2019 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser toegewezen, in die zin dat het bestreden besluit is geschorst en dat verweerder eiser niet mag uitzetten totdat op het beroep is beslist.
Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Fictoor. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De situatie in Ethiopië na 31 juli 2018
Het individuele asielrelaas van eiser
abuses”;
reportedly arrested activists in the capital Addis Abeba”;
toll as mass arrests in Addis Abeba also targets opposition supporters”;
- het rapport van de Danish Immigration Service van september 2018: “Ethiopia: Political situation and treatment of opposition, September 2018”;
“Ethiopia – Killings and imprisonments will not solve political disputes in Oromia”;
- het nieuwsbericht van Addis Standard van 13 januari 2019: “Ethiopia defence force begins
airstrike in western Oromia; says targets are OLF military training camps”;
the OLF officials and its members by the Ethiopian government must stop immidiately!”;
gains at risk”; en
- het rapport van de Oromia Support Group van juli 2019: “Human rights abuses in Ethiopia”.
4. De rechtbank gaat in de alinea’s 5 tot en met 7 in op de situatie in Ethiopië, zoals die in het ambtsbericht naar voren komt. Zoals gezegd beslaat het ambtsbericht de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 juli 2018. In de alinea’s 8 tot en met 10 bespreekt de rechtbank de situatie die zich ontwikkeld heeft na het verschijnen van het ambtsbericht. In de alinea’s 11 tot en met 13 komt het individuele relaas van eiser en zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel aan de orde. De rechtbank komt vervolgens in alinea 14 tot een conclusie over het beroep.
De situatie in Ethiopië tot 31 juli 2018
5. Verweerder heeft aangevoerd dat uit het ambtsbericht blijkt dat de situatie in Ethiopië voor oppositiegroepen sinds het aantreden van premier Abiy in april 2018 aanzienlijk is verbeterd. Deze verbetering komt onder meer naar voren uit de omstandigheden dat de noodtoestand is opgeheven en dat diverse oppositiepartijen (waaronder het OLF) niet langer als terroristisch worden beschouwd. Ook zijn er diverse repressieve wetten herzien die werden gebruikt om opposanten van het regiem te onderdrukken. Verschillende leiders van oppositiepartijen zijn uit de diaspora teruggekeerd naar Ethiopië en aan veel in Ethiopië gedetineerde oppositieleiders en -leden is gratie verleend. Zij zijn uitgenodigd om deel te nemen aan het politieke proces. Verder is er sprake van een toename van persvrijheid en vrijheid van meningsuiting en een afname van geweld en repressie van overheidswege jegens demonstranten en opposanten.
6. Eiser heeft het standpunt dat verweerder over de situatie in Ethiopië, op basis van het ambtsbericht heeft ingenomen, betwist. Hij heeft erop gewezen dat het ambtsbericht vermeldt dat Ethiopische veiligheidstroepen ook na het aantreden van Abiy repressief optreden tegen demonstranten en opposanten. Ook hebben er in Ethiopië nog na april 2018 gewelddadige confrontaties en mensenrechtenschendingen plaatsgevonden. Eiser heeft er met name op gewezen dat de werkwijze van de veiligheidsdienst tegen opposanten van de regering na het aantreden van Abiy niet is gewijzigd. Blijkens het ambtsbericht worden er ook na het aantreden van Abiy nog politieke gevangenen gehouden, van wie de omstandigheden niet bekend zijn.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van het ambtsbericht afdoende onderbouwd betoogd dat er in Ethiopië, vooral ná het aantreden van Abiy in april 2018, geen sprake is van een situatie waarin personen vanwege hun oppositionele activiteiten zonder meer hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Diverse documenten die eiser heeft ingebracht, hebben betrekking op de periode van vóór het aantreden van Abiy. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze documenten niet representatief zijn voor de situatie van na april 2018. De stelling van eiser dat de Ethiopische veiligheidsdienst zijn werkwijze vóór en ná april 2018 niet heeft gewijzigd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het ambtsbericht komt inderdaad het beeld naar voren dat het optreden van de veiligheidsdienst ook na april 2018 een punt van zorg is geweest. Er zijn evenwel onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat dit optreden te beschouwen was als een actieve en doelgerichte vervolging van bepaalde personen of groeperingen, zoals leden van de Oromo-gemeenschap of aanhangers van de OLF.
8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verbeterde situatie in Ethiopië zich na 31 juli 2018 heeft bestendigd. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat politieke groeperingen meer vrijheden hebben gekregen als gevolg van de door Abiy ingezette politieke hervormingen en het proces van nationale conflictoplossing. Ook heeft verweerder aangevoerd dat duizenden mensen zijn vrijgelaten uit gevangenschap, onder wie journalisten en politieke opposanten, en dat de persvrijheid en de toegang tot diverse media verder is toegenomen.
9. Eiser heeft gesteld dat de situatie in Ethiopië sinds juli 2018 niet is verbeterd, maar juist is verslechterd. Hij heeft aangevoerd dat zich in Ethiopië tot ver in de eerste helft van 2019 veel mensenrechtenschendingen en gewelddadigheden hebben voorgedaan. Eiser heeft documenten ingebracht die melding maken van agressie van regeringstroepen tegen opposanten en van gewelddadige confrontaties waarbij slachtoffers zijn gevallen onder
OLF-aanhangers en leden van de Oromo-gemeenschap. Uit deze documenten blijkt volgens eiser dat de autoriteiten onverminderd opposanten, onder wie aanhangers en leden van het OLF, detineren, intimideren en monddood maken.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in zijn reactie op de door eiser ingebrachte documenten heeft mogen richten op het algemene beeld dat van deze documenten uitgaat. Verweerder heeft niet op elk afzonderlijk document of elke daarin beschreven gebeurtenis hoeven te reageren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangevoerd dat uit deze documenten niet blijkt dat de Ethiopische autoriteiten het in het algemeen op opposanten van het regiem hebben gemunt. Uit deze documenten blijkt afdoende dat geweld van de zijde van de regering tegen demonstranten in algemene zin is afgenomen. De beschreven onrusten, confrontaties en conflicten in Ethiopië lijken veeleer voort te komen uit spanningen tussen bevolkingsgroepen. Als regeringstroepen optreden tegen demonstaties of rellen, dan komt het voor dat daarbij aanhangers van oppositie- of bevolkingsgroepen worden gearresteerd, mishandeld of zelfs gedood. Dit overkomt ook OLF-aanhangers en Oromo’s. Het is echter niet gebleken dat de Ethiopische autoriteiten bij dit harde optreden opposanten van de regering, meer in het bijzonder OLF-aanhangers en Oromo’s, specifiek als doelwit beschouwen. Verder heeft verweerder aangehaald dat de situatie voor critici uit de diaspora minder bedreigend is geworden. Zij kunnen terugkeren en re-integreren in Ethiopië. Er zijn recent geen gevallen bekend van personen die bij terugkeer in Ethiopië problemen hebben ondervonden als gevolg van oppositionele activiteiten die zij in het buitenland hebben verricht. Ter onderbouwing van het geschetste beeld over de situatie in Ethiopië heeft verweerder verwezen naar diverse documenten, waaronder (in chronologische volgorde):
Ahmed constrained by ethnic divisions”;
-het artikel van Global Risk Insight van 24 april 2019: “Will Abiy Ahmed usher in a new Ethiopia?”;
11. Uit de vorige alinea’s vloeit voort dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat de situatie in Ethiopië voor alle opposanten van het regiem gevaarlijk is. Hierdoor zal eiser aannemelijk moeten maken dat juist hij in het bijzonder, vanwege zijn oppositionele activiteiten in Nederland voor het OLF en de Oromovereniging , bij terugkeer naar Ethiopië heeft te vrezen voor vervolging door het
regiem. In dit verband heeft verweerder niet ten onrechte aangevoerd dat de activiteiten van eiser in Nederland niet in bijzondere mate opvallend of onderscheidend zijn geweest. Net als veel andere OLF-aanhangers heeft hij in Nederland demonstraties en bijeenkomsten bijgewoond die gericht waren tegen de Ethiopische regering. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser bij verschillende gelegenheden door media is geïnterviewd en op beeld is vastgelegd, het niet aannemelijk maakt dat hij meer dan andere kritische OLF-aanhangers en Oromo’s in de bijzondere negatieve belangstelling van de Ethiopische regering is komen te staan.
12. Eiser heeft verwezen naar drie beslissingen van verweerder uit de periode juli- augustus 2018 en twee uit de periode maart-mei 2019. Volgens eiser betroffen dat ook zaken van Oromo’s die in Nederland politieke activiteiten voor het OLF hebben verricht. Aan deze personen is door verweerder een vluchtelingenstatus verleend. Eiser heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan.
12. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegelicht dat verweerder bij de drie beslissingen uit juli-augustus 2018 het standpunt had ingenomen dat in die periode nog niet beoordeeld kon worden of de verbeterde situatie, zoals die zich in Ethiopië vanaf april 2018 had ingezet, bestendig zou zijn. Om die reden heeft verweerder de vreemdelingen die het aangaat in juli-augustus 2018 het voordeel van de twijfel gegeven. Inmiddels is gebleken dat de ingezette verbeteringen in Ethiopië afdoende bestendig zijn. Het tijdsverloop sinds juli-augustus 2018 maakt daarom dat van gelijke gevallen met de zaak van eiser geen sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit standpunt niet ten onrechte ingenomen.
Het beroep van eiser op de beslissingen van verweerder uit de periode maart-mei 2019 kan hem ook niet baten. Het betreft hier geen gevallen die gelijk zijn aan die van eiser.
Verweerder heeft gesteld dat bij de ene beslissing de vreemdeling een verblijfsvergunning kreeg op een andere grond dan de grond die eiser heeft aangevoerd. Volgens verweerder was bij de andere beslissing een wezenlijk andere feitencomplex aan de orde dan bij eiser het geval is. Eiser heeft deze stellingen van verweerder niet weersproken.
De beroepsgronden die zien op het gelijkheidsbeginsel falen daarom.
Conclusie
14. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd dat het asielrelaas van eiser geen aanleiding geeft om hem in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning. Verweerder heeft ook afdoende gemotiveerd dat eiser niet valt onder één van de categorieën van vreemdelingen die bij terugkeer naar Ethiopië dienen te vrezen voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Het beroep is daarom ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand, ook wat betreft het inreisverbod. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzitter, en mrs. C. Karman en
G.P. Loman, leden, in aanwezigheid van drs. S. Mazaheri, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
10 oktober 2019
Documentcode: DSR8814115
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.