ECLI:NL:RBDHA:2019:13023

ECLI:NL:RBDHA:2019:13023, Rechtbank Den Haag, 05-12-2019, AWB 19-5098 en 19-5099

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB 19-5098 en 19-5099
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2020:2345
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823 CELEX:32003L0086 EU:32003L0086

Samenvatting

Verzoek om mvv-nareis voor ouders te laat ingediend, is dat verschoonbaar? Eiser kwam in 2014 als [leeftijd]jarige asielzoeker vanuit Syrië naar Nederland. Op het moment dat eiser een asielvergunning krijgt, is hij inmiddels meerderjarig. Eiser wil graag dat zijn familie ook naar Nederland komt. Op grond van het toen geldende beleid, komt een meerderjarige asielzoeker echter niet in aanmerking voor het zogenaamde nareis-beleid. Eiser wordt daarom door VWN geadviseerd geen aanvraag voor mvv-nareis in te dienen. Naar aanleiding van het arrest van het Europese Hof van 12 april 2018 (A en S tegen Nederland), wijzigt verweerder zijn beleid in die zin dat indien een alleenstaande vreemdeling bij binnenkomst minderjarig is, maar gedurende zijn asielaanvraag meerderjarig wordt, de datum van binnenkomst bepalend is. Eiser dient vervolgens een mvv-nareis aanvraag in voor zijn ouders. Niet in geschil is dat dit buiten de termijn van drie maanden is gebeurd. De vraag is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank oordeelt van niet. Dat het beleid achteraf gezien volgens het Hof niet in overeenstemming was met de Gezinsherenigingsrichtlijn, maakt niet dat sprake is van een fout of onrechtmatig handelen van verweerder. Daarnaast had eiser in deze ook een eigen verantwoordelijkheid en had hij, ondanks het advies van VWN, toch tijdig kunnen verzoeken om mvv-nareis en tegen een eventuele afwijzing kunnen procederen. Daarbij speelt een rol dat het geldende beleid toentertijd ter discussie stond in de rechtspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser(es)] , geboren op [geboortedatum] ,

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/5098

AWB 19/5099

V-nummers: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 december 2019 in de zaken tussen

[eiser(es)] , geboren op [geboortedatum] ,

(samen aangeduid als: de ouders) en

[eiser(es)] , geboren op [geboortedatum] ,

[eiser(es)] , geboren op [geboortedatum] ,

[eiser(es)] , geboren op [geboortedatum] ,

[eiser(es)] , geboren op [geboortedatum] ,

(samen aangeduid als: de broers en zussen)

allen van Syrische nationaliteit, allen tezamen aangeduid als: eisers

(gemachtigde: [naam] ),

en

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2018 heeft verweerder de aanvraag van de ouders van

10 juli 2018 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “gezinshereniging in het kader van nareis asiel” afgewezen. Bij besluit van 9 oktober 2018 heeft verweerder de aanvraag van de broers en zussen van 10 juli 2018 om verlening van een mvv met als doel “familie en gezinsleven” afgewezen. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij afzonderlijke besluiten van 5 juni 2019 ongegrond verklaard.

Op 3 juli 2019 heeft de rechtbank de beroepschriften van eisers ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2019. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. Ook was ter zitting aanwezig

[naam] (referent). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Inleiding

Eisers hebben de Syrische nationaliteit en verblijven op dit moment in een vluchtelingenkamp in Turkije. Zij hebben verzocht om een mvv om herenigd te kunnen worden met hun in Nederland wonende zoon, respectievelijk broer, [naam] (referent).

De aanvraag van de ouders van referent is gedaan in het kader van het zogenaamde nareis-beleid; zij willen hun zoon nareizen en daarmee aanspraak maken op een verblijfsvergunning asiel. De aanvraag van de broers en zussen is gedaan in het kader van gezinshereniging op grond van artikel 8 van het EVRM; zij willen hun ouders volgen naar Nederland. Dit houdt in dat de procedure van de broers en zussen van referent, afhankelijk is van de uitkomst van de procedure van de ouders van referent. Dit is ook niet in geschil. De rechtbank zal daarom eerst inhoudelijk ingaan op de procedure van de ouders van referent.

Feiten en omstandigheden

Op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000

- voor zover van belang - kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de ouders van een alleenstaande minderjarige vreemdeling die verdragsvluchteling is, indien zij op het tijdstip van binnenkomst behoorden tot elkaars gezin en gelijktijdig met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.

Op grond van het vierde lid geldt dit ook indien binnen drie maanden na binnenkomst van de vreemdeling een mvv is aangevraagd voor de gezinsleden (lees: ouders).

Volgens paragraaf C2/4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 gaat de wettelijke termijn van drie maanden in op de dag na die waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de referent bekend is gemaakt.

Referent is geboren op [geboortedatum] en kwam in oktober 2014 als alleenstaande minderjarige vreemdeling naar Nederland. Referent is op [datum] , inmiddels meerderjarig, door verweerder in het bezit gesteld van een asielvergunning voor bepaalde tijd met ingang van 9 oktober 2014.

Volgens het beleid van verweerder moest de alleenstaande vreemdeling op het moment van de aanvraag nog minderjarig zijn om voor deze nareis-regeling in aanmerking te komen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in zijn uitspraken van 23 november 2015 dit beleid in overeenstemming met de Gezinsherenigingsrichtlijn geoordeeld.

Niet in geschil is dat Vluchtelingenwerk Nederland referent in juni 2015 heeft geadviseerd geen aanvraag voor een mvv-nareis ten behoeve van zijn ouders in te dienen. Evenmin is in geschil dat dit advies in overeenstemming was met het toen geldende beleid.

Naar aanleiding van prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) op 12 april 2018 in het arrest A en S tegen Nederland de Gezinsherenigingsrichtlijn zo uitgelegd, dat indien een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en van indiening van zijn asielverzoek in die staat minder dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling.

Naar aanleiding van dit arrest heeft verweerder zijn beleid gewijzigd in die zin dat indien een alleenstaande vreemdeling bij binnenkomst minderjarig is, maar gedurende zijn asielaanvraag meerderjarig wordt, de datum van binnenkomst bepalend is. Concreet betekent dit voor deze procedure dat indien referent binnen drie maanden na 16 juni 2015 om een mvv-nareis voor zijn ouders had gevraagd, hij nog steeds als alleenstaande minderjarige vreemdeling gezien zou worden.

Referent heeft vervolgens op 10 juli 2018 de mvv-aanvragen ingediend.

Standpunten partijen

Verweerder heeft de mvv-aanvraag van de ouders van referent afgewezen omdat deze niet binnen de termijn van drie maanden is ingediend. Deze termijnoverschrijding is volgens verweerder niet verschoonbaar.

Eisers voeren hiertegen aan dat de aanvraag weliswaar niet binnen drie maanden na bekendmaking van de verblijfsvergunning asiel aan referent is ingediend, maar dat dit komt door onrechtmatig beleid van verweerder en daarom verschoonbaar is. Afgaande op dit onrechtmatige beleid heeft Vluchtelingenwerk Nederland referent geadviseerd geen aanvraag in te dienen. Dit kan referent nu niet worden tegengeworpen, hij heeft zich juist gehouden aan het toen geldende bestendige beleid, dat is gesteund door de jurisprudentie van de Afdeling. Referent heeft de aanvraag voor zijn ouders zo snel mogelijk en binnen drie maanden na het arrest A en S tegen Nederland ingediend.

Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt. Een termijnoverschrijding kan bijvoorbeeld verschoonbaar zijn als deze het gevolg is van een fout van het desbetreffende bestuursorgaan of als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit, waartegen hij binnen een bepaalde termijn had moeten opkomen, niet heeft ontvangen. Fouten van een gemachtigde zijn in de regel geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Deze manier van beoordelen van de verschoonbaarheid geldt ook voor andere termijnoverschrijdingen.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het niet tijdig indienen van de mvv-aanvraag voor zijn ouders niet verschoonbaar is en aan referent kan worden toegerekend. Het advies van Vluchtelingenwerk Nederland was weliswaar in overeenstemming met de uitleg die verweerder destijds gaf aan de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar van een mededeling aan referent door verweerder is geen sprake, waardoor geen sprake is van een fout van het bestuursorgaan. In het gegeven dat het beleid van verweerder achteraf geoordeeld niet in overeenstemming met de Gezinsherenigingsrichtlijn was, ziet de rechtbank ook geen fout van het bestuursorgaan. Daarbij is mede van belang dat, zoals het Hof in het arrest A en S heeft overwogen, de Gezinsherenigingsrichtlijn op zichzelf geen antwoord geeft op de vraag op welk tijdstip de minderjarigheid moet worden beoordeeld.

Uit de jurisprudentie over verschoonbaarheid volgt bovendien dat referent hierin ook een eigen verantwoordelijkheid heeft. Referent had, zoals ook door verweerder ter zitting is opgemerkt, ondanks het advies van Vluchtelingenwerk Nederland en verweerders beleid, de aanvragen toch kunnen indienen om zo de termijn van drie maanden veilig te kunnen stellen. Tegen een eventuele afwijzing had hij vervolgens kunnen procederen. Dit geldt temeer omdat de in deze zaak relevante termijn - juni tot september 2015 - voorafgaat aan genoemde uitspraken van de Afdeling van 23 november 2015, en de rechtspraak over verweerders beleid in die periode nog niet eenduidig was.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond was, zodat geen sprake is van schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Conclusie

5. De rechtbank verklaart het beroep van de ouders ongegrond.

6. Zoals eerder is overwogen, is niet in geschil dat de procedure van de broers en zussen van referent afhankelijk is van de uitkomst van de procedure van de ouders van referent. Het voorgaande betekent daarom dat ook het beroep van de broers en zussen ongegrond verklaard moet worden.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 19/5098,

- verklaart het beroep ongegrond,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 19/5099,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J. Dondorp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?