ECLI:NL:RBDHA:2019:13084

ECLI:NL:RBDHA:2019:13084, Rechtbank Den Haag, 05-12-2019, 19_1722

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19_1722
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2021:2802
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0006358

Samenvatting

Kennisgeving vermindering naheffingsaanslag is geen voor bezwaar vatbare beschikking. Bezwaar van eiser tegen de kennisgeving had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Nu dat niet is gebeurd, is het beroep gegrond. De rechtbank kent aan eiseres € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres(gemachtigde: [A] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 12 februari 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de kennisgeving (de kennisgeving) vermindering naheffingsaanslag Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (Bpm) van 10 juli 2017.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Kort voor de zitting is door partijen verzocht om uitstel van de zitting. Dit verzoek is afgewezen.

Verweerder heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door [B] en [C] . Namens eiseres is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van € 500 vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 256 vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Overwegingen

1. Partijen hebben op 19 respectievelijk 20 november 2019 verzocht om uitstel van de zitting omdat zij recent, naar aanleiding van een zitting bij de rechtbank Gelderland, zijn gestart met onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst. In die vaststellingsovereenkomst zullen, zo mogelijk, alle lopende zaken worden betrokken waarbij de gemachtigde optreedt. Gelet op het prille stadium van deze onderhandelingen en de vooralsnog onzekere uitkomst daarvan heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de zitting uit te stellen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat het verzoek om uitstel pas kort voor de geplande zittingsdatum is ontvangen.

2. Bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2017 is het bezwaar van eiseres tegen een naheffingsaanslag Bpm gegrond verklaard en is die naheffingsaanslag vernietigd. De kennisgeving betreft de cijfermatige uitwerking van de uitspraak op bezwaar van 4 mei 2017. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de naheffingsaanslag heeft betaald.

3. In de kennisgeving staan de gegevens van de naheffingsaanslag (belasting € 550, belastingrente € 0, bestuurlijke boete € 0, totaal € 550) en de nieuw vastgestelde bedragen (belasting € 0,belastingrente € 0, bestuurlijke boete € 0, totaal € 0). De kennisgeving bevat geen beslissing over de rentevergoeding ter zake van de vermindering van de naheffingsaanslag dan wel de terugbetaling van wat eiseres reeds op de aanslag heeft voldaan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:482) is het ontbreken van een beslissing over rentevergoeding onvoldoende om het bestaan van een rentebeschikking van nihil aan te nemen. De kennisgeving bevat dan ook geen voor bezwaar vatbare rentebeschikking.

4. Het voorgaande betekent dat verweerder het bezwaar tegen de kennisgeving niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu dit niet is gebeurd, is het beroep gegrond. De rechtbank heeft daarom de uitspraak op bezwaar vernietigd en, doende wat verweerder had moeten doen, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

5. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar aan de bezwaarfase dient te worden toegerekend. Het bezwaarschrift tegen de kennisgeving is op 2 augustus 2017 door verweerder ontvangen en door de rechtbank is op 5 december 2019 uitspraak gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase ruim twee jaar en vier maanden hebben geduurd. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase ruim anderhalf jaar heeft geduurd. Nu door verweerder geen omstandigheden zijn aangevoerd die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, bepaalt de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn op ruim vier maanden. Aan eiseres komt een schadevergoeding toe van € 500 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar), te vergoeden door verweerder.

6. Nu verweerder is opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden, behoeft haar stelling dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van de onderliggende vordering geen behandeling.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 256 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 0,5). Voor de bezwaarfase worden geen proceskosten toegekend nu het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor 0,5 omdat het beroep uitsluitend gegrond is verklaard op formele gronden waarover door eiseres zelf niets is aangevoerd. Voor een integrale proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.J. Ebbeling

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2020/387 FutD 2020-0554 Viditax (FutD) 2020021701
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?