ECLI:NL:RBDHA:2019:13451

ECLI:NL:RBDHA:2019:13451, Rechtbank Den Haag, 16-12-2019, NL19.20920

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL19.20920
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2021:6993
Formele relatie: ECLI:EU:C:2021:117
Formele relatie: ECLI:EU:C:2021:478
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 19 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823 CELEX:32013L0032 EU:32013L0032

Samenvatting

Prejudiciële vragen in verband met uitleg “nieuwe elementen en bevindingen” zoals bedoeld in artikel 40 van de Procedurerichtlijn - opvolgende aanvraag -originele documenten waarvan de authenticiteit niet is vastgesteld, kopieën van documenten en documenten die afkomstig zijn uit een niet objectief-verifieerbare bron. De rechtbank overweegt dat de vraag rijst hoe het begrip “nieuwe elementen en bevindingen” zoals benoemd in artikel 40 van de Procedurerichtlijn dient te worden uitgelegd om te bezien of de Nederlandse regelgeving en beleid in overeenstemming zijn met het recht van de Unie. In de huidige Nederlandse praktijk betrekt de beslissingsautoriteit bij een eerste asielaanvraag documenten waarvan de authenticiteit niet vaststaat bij de beoordeling. Daarentegen vormt bij een volgende asielprocedure onzekerheid over de authenticiteit op zichzelf al reden voor de beslissingsautoriteit om te concluderen dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, wat leidt tot niet-ontvankelijkheid van de opvolgende aanvraag. Deze gevolgen worden door de beslissingsautoriteit ook verbonden aan de overlegging van een kopie bij een volgend verzoek en bij documenten die afkomstig zijn uit een niet-objectief verifieerbare bron. De rechtbank wenst van het HvJ-EU te vernemen of deze categorieën van documenten buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beoordeling van volgende verzoeken enkel vanwege deze kwalificatie. De rechtbank wil tevens weten of lidstaten bij de beoordeling van documenten in een asielprocedure onderscheid mogen maken tussen een eerste en opvolgende aanvraag en of lidstaten bij opvolgende aanvragen minder invulling hoeven te geven aan de samenwerkingsplicht. De rechtbank legt de volgende vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: I Is het door de beslissingsautoriteit van een lidstaat bepalen dat originele documenten nooit nieuwe elementen of bevindingen kunnen zijn indien de authenticiteit van deze documenten niet kan worden vastgesteld verenigbaar met artikel 40, lid 2, Procedurerichtlijn , in samenhang gelezen met artikel 4, lid 2, Kwalificatierichtlijn en artikelen 47 en 52 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? Indien dit niet verenigbaar is, maakt het dan nog verschil als bij een volgend verzoek kopieën van documenten of documenten die afkomstig zijn uit een niet-objectief verifieerbare bron worden ingebracht door de verzoeker? II Moet artikel 40 Procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, Kwalificatierichtlijn, aldus worden uitgelegd dat het de beslissingsautoriteit van een lidstaat is toegestaan om bij de beoordeling van documenten en toekenning van bewijswaarde aan documenten onderscheid te maken tussen documenten die worden overgelegd bij een eerste verzoek en bij een volgend verzoek? Is het een lidstaat toegestaan om bij de overlegging van documenten bij een volgend verzoek geen verdere invulling meer te geven aan de samenwerkingsverplichting als de authenticiteit van die documenten niet kan worden vastgesteld?

Uitspraak

Juridisch kader - Recht van de Unie

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie

Artikel 18 - Het recht op asiel

Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „de Verdragen” genoemd).

Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering

(…)

2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.

Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

(…)

Artikel 52 - Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen

(…)

3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt

(…)

RICHTLIJN 2011/95/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (de Kwalificatierichtlijn).

Artikel 4 – Beoordeling van feiten en omstandigheden

1. De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.

(…)

RICHTLIJN 2013/32/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn)

preambule

(…)

(36) Indien een verzoeker een volgend verzoek doet zonder nieuwe bewijzen of argumenten voor te leggen, zou het onevenredig zijn de lidstaten te verplichten een nieuwe volledige onderzoeksprocedure te volgen. In die gevallen moeten de lidstaten een verzoek als niet-ontvankelijk kunnen afwijzen op grond van het beginsel van het gezag van gewijsde.

(60) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn neergelegd in het handvest. Deze richtlijn beoogt meer bepaald te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd en te bevorderen dat de artikelen 1, 4, 18, 19, 21, 23, 24 en 47 van het handvest worden toegepast en moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.

(…)

Artikel 33 - Niet-ontvankelijke verzoeken

(…)

2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:

(…)

d) het verzoek een volgend verzoek is en er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen of door de verzoeker werden voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU;

(…)

Artikel 34 - Bijzondere voorschriften betreffende het onderhoud over de ontvankelijkheid

1. Vooraleer een beslissingsautoriteit een besluit neemt over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming, stellen de lidstaten verzoekers in de gelegenheid hun standpunt uiteen te zetten over de toepassing van de in artikel 33 bedoelde gronden op hun specifieke omstandigheden. Daartoe houden de lidstaten een persoonlijk onderhoud over de ontvankelijkheid van het verzoek. De lidstaten kunnen daarvan alleen afwijken in het geval van een volgend verzoek, overeenkomstig artikel 42.

Artikel 40 - Volgende verzoeken

(…)

2. Om krachtens artikel 33, lid 2, onder d), een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming te nemen, wordt een volgend verzoek om internationale bescherming eerst aan een voorafgaand onderzoek onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens Richtlijn 2011/95/EU.

(…)

Artikel 42 - Procedureregels

1. De lidstaten zorgen ervoor dat verzoekers wier verzoek aan een voorafgaand onderzoek ingevolge artikel 40 wordt onderworpen, de in artikel 12, lid 1, opgesomde waarborgen genieten.

2. De lidstaten kunnen in hun interne recht regels inzake het voorafgaande onderzoek ingevolge artikel 40 neerleggen. Die regels kunnen onder meer:

a. a) de betrokken verzoeker ertoe verplichten feiten te vermelden en bewijzen te leveren die een nieuwe procedure rechtvaardigen;

b) het voorafgaande onderzoek toestaan op grond van uitsluitend schriftelijke toelichtingen zonder persoonlijk gehoor, met uitzondering van de in artikel 40, lid 6, bedoelde gevallen.

Deze regels mogen de toegang voor verzoeker tot een nieuwe procedure niet onmogelijk maken en evenmin leiden tot daadwerkelijke ontzegging of vergaande inperking van een dergelijke toegang.

Juridisch kader – Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden

Artikel 3 – Verbod van foltering

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Artikel 13 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel

Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Juridisch kader – Nederlandse regelgeving en beleid

Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

(…)

d. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag;

(…)

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

Artikel 3.118b

(…)

3 Behoudens in de in artikel 40, zesde lid, van de Procedurerichtlijn bedoelde gevallen, wordt het tweede lid, onder a en b, buiten toepassing gelaten indien Onze Minister de kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen die nodig is voor het kunnen nemen van de beschikking, kan vergaren zonder nader gehoor.

(…)

Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) - Beleid

Paragraaf C1/2.9 – De procedure bij een tweede of volgende aanvraag

(…)

Artikel 3.118b Vb regelt het verloop van de asielprocedure als een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ingediend

(…)

vangt de ééndagstoets asiel aan met het voornemen als bedoeld in artikel 3.118b, tweede lid, onder c, Vb. De IND kan onder meer besluiten om af te zien van een gehoor in de situatie dat de vreemdeling:

(…)

• valse of vervalste documenten overlegt dan wel documenten overlegt waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld;

(…)

Werkinstructie 2019/9 – Procedure herhaalde aanvragen

(…)

Indien de aanvraag als compleet is aangemerkt, wordt beoordeeld of de aanvraag zonder horen kan worden behandeld. Dat is het geval indien het voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag niet noodzakelijk is om een vreemdeling te horen en reeds op grond van de stukken blijkt dat de aanvraag geen kans van slagen heeft.

(…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. drs. S. van Lokven
  • mr. C.T.C. Wijsman
  • mr. R.H. van Marle

Griffier

  • mr. B.J. Groothedde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JV 2020/30
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?