RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1990, van Gambiaanse nationaliteit, eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.13856
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
(gemachtigde: mr. M.N. Lorier).
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y.E.H. Derksen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
5. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de zin in het proces-verbaal van binnentreden waarin staat dat voorafgaand aan het binnentreden de machtiging is getoond en het doel van het binnentreden is medegedeeld een standaardtekst is. Er moet, aldus verweerder, vanuit worden gegaan dat er is binnengetreden met een machtiging tot binnentreden en dat de verbalisant zich pas na het binnentreden heeft gelegitimeerd en het doel van het binnentreden heeft medegedeeld. Verder blijkt uit het proces-verbaal van binnentreden en het proces-verbaal van staandehouding en ophouding dat de verbalisant de toegangsdeur van de kamer heeft geopend met een algemene loper en dat eiser op bed lag op het moment dat de kamer werd binnengetreden. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat de verbalisanten eerst zijn binnengetreden en dat pas na het binnentreden voldaan is aan de legitimatieplicht en het doel van het binnentreden is medegedeeld. Uit het proces-verbaal van binnentreden blijkt voorts niet dat voorafgaand aan het binnentreden is aangebeld of op de deur is geklopt om mededeling te doen van het doel van de komst of dat geprobeerd is om toestemming te vragen aan de bewoner, [bewoner] , of aan eiser. Verbalisanten zijn onmiddellijk binnengetreden. Omdat uit het proces-verbaal op geen enkele manier blijkt van omstandigheden die de verbalisanten mochten doen afzien van hun voorafgaande legitimatie- en mededelingsplicht, en ook niet van omstandigheden die hen de bevoegdheid tot binnentreden zonder machtiging zouden geven, is het binnentreden in de woning naar het oordeel van de rechtbank daarom onrechtmatig geweest.
6. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de hiervoor genoemde uitspraak van 15 maart 2018, worden in de Awbi geen gevolgen verbonden aan het niet nakomen van uit de Awbi voortvloeiende verplichtingen. Dit brengt met zich dat de daaraan te verbinden gevolgen moeten worden bezien in het licht van de belangen ter bescherming waarvan de betrokken voorschriften strekken. De rechtbank dient daarom een belangenafweging te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is de maatregel van bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in dit geval niet gerechtvaardigd te achten en valt de belangenafweging in het voordeel van eiser uit. Verweerder heeft geen belangen gesteld op grond waarvan het niet-nakomen van de uit de Awbi voortvloeiende verplichtingen niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en als belang gesteld dat een overdracht op 27 juni 2019 staat gepland. Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2018 zijn de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden op zichzelf onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van verweerder te doen uitvallen. Dat op 27 juni 2019 een overdracht staat gepland brengt, gelet op de ernst van het gebrek, evenmin met zich mee dat aan de belangen die gemoeid zijn met de inbewaringstelling van eiser een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld.
7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 25 juni 2019.
8. Hetgeen namens eiser overigens tegen het bestreden besluit naar voren is gebracht behoeft gezien het hiervoor overwogene geen bespreking.
9. De rechtbank ziet aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om aan eiser op grond van artikel 106 van de Vw 2000 een schadevergoeding ten laste van de Staat toe te kennen. Voor de dag die eiser van 14 juni 2019 tot en met 25 juni 2019 onrechtmatig heeft doorgebracht in het detentiecentrum wordt een schadevergoeding van 12 x € 80,00 =
10. € 960,00 toegekend.
11. In het voorgaande bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 25 juni 2019;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 960,00 te betalen door de griffier;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.S. Abbing, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 25 juni 2019.
griffierrechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.