ECLI:NL:RBDHA:2020:11282

ECLI:NL:RBDHA:2020:11282, Rechtbank Den Haag, 13-10-2020, AWB - 19 _ 1362

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-10-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 19 _ 1362
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2021:1901
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0022762 BWBR0025458 BWBR0037552

Samenvatting

watervergunning

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats 1] , Duitsland, eiser

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1362

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verweerder

(gemachtigden: G. van der Klein en S.A.O. van Dijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] te [woonplaats 2] , vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder een vergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet verleend voor het verrichten van handelingen in een watersysteem.

Bij besluit van 14 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vanwege de uitbraak van het coronavirus is de zitting van 25 mei 2020 niet doorgegaan. Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze (via Skype) plaatsgevonden op 1 september 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door [A] .

Overwegingen

1. Op 31 mei 2018 heeft vergunninghouder een aanvraag om een watervergunning ingediend voor het verrichten van handelingen in een watersysteem.

2. Bij het primaire besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de gevraagde watervergunning verleend. De watervergunning betreft het aanbrengen en hebben van 13.604 m² toename verhard oppervlak waarbij neerslag versneld tot afvoer komt, en het ter compensatie hiervan aanleggen en hebben van een alternatieve waterberging in de Rietveldse Polder ter hoogte van de [weg 1] [huisnummer 1] en [weg 2] [huisnummer 2] te Hazerswoude-Dorp.

3. Eiser betoogt dat de watervergunning ten onrechte is verleend. Hij stelt in de eerste plaats dat de watervergunning betrekking heeft op een waterbassin dat is gerealiseerd op korte afstand van de grens van zijn perceel. Volgens eiser leidt de aanwezigheid van dit waterbassin tot schade aan zijn perceel door zetting en door afstromend hemelwater. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij het verlenen van de vergunning een integrale belangenafweging had moeten maken, waarbij ook de constructie van het waterbassin, de goede ruimtelijke ordening en zijn privaatrechtelijke belangen een rol hadden moeten spelen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6.21 van de Waterwet wordt een watervergunning geweigerd als verlening hiervan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. Het is vaste rechtspraak dat het al dan niet bestaan van privaatrechtelijke belemmeringen niet valt te herleiden tot de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet, zodat hierin geen reden is gelegen om een watervergunning te weigeren.Dit betekent dat wat eiser aanvoert over constructieve eisen aan het waterbassin, schade als gevolg van afstromend hemelwater en overige privaatrechtelijke belemmeringen, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Dit zijn geen van alle waterstaatkundige belangen die verweerder in zijn besluitvorming had moeten betrekken.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stelling van eiser dat uit dat artikel volgt dat verweerder alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen dient af te wegen, berust op een onjuiste lezing van artikel 3:4 van de Awb. Uit de tekst van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb volgt immers dat uit een wettelijk voorschrift een beperking op deze algemene belangenafweging kan voortvloeien. Die beperking is in dit geval van toepassing, nu de Waterwet de belangenafweging bij het beslissen over een watervergunning beperkt tot de doelstellingen uit artikel 2.1 en de belangen genoemd in artikel 6.11 van die wet.

5 Eiser stelt tot slot dat een waterbassin in beginsel niet is toegestaan als alternatieve waterberging op grond van de Uitvoeringsregels keur 2015.

Dit betoog slaagt niet. In dit geval is sprake van een toename van verhard oppervlak van meer dan 5000m2 . Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Keur Rijnland 2015 is hiervoor een vergunning van verweerder vereist. In de Uitvoeringsregels keur 2015 is met betrekking tot het verlenen van deze vergunning beleid geformuleerd. Uit beleidsregel 11.4 volgt dat de vergunning onder meer kan worden verleend als wordt voorzien in voldoende alternatieve waterberging. Dat een waterbassin geen dienst zou kunnen doen als alternatieve waterberging, volgt niet uit deze beleidsregel. Voor zover eiser heeft bedoeld te verwijzen naar de passage in de uitvoeringsregels waarin staat dat een waterbassin in beginsel niet als compensatiemogelijkheid geldt bij een toename van verharding, stelt de rechtbank vast dat deze passage betrekking heeft op de algemene regel die behoort bij artikel 3.2 van de Keur Rijnland 2015. Die algemene regel ziet uitsluitend op verhardingen met een oppervlakte tussen 500m2 en 5000m2 en is in deze zaak dus niet van toepassing.

6. De conclusie van het voorgaande is dat verweerder de watervergunning terecht heeft verleend. Het beroep is ongegrond.

7 . Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2020, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.

griffier rechter

de griffier is verhinderd te tekenen de rechter is buiten staat om de uitspraak te

tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.C. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWA 2020/27 JWA 2022/27
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?