RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/5870
(gemachtigde: mr. S.A. de Graaff),
en
(gemachtigde: mr. A.M. van de Laar).
Procesverloop
Bij verkeersbesluit van 22 augustus 2018 (het primaire besluit, Stcrt 24 augustus 2018, nr. 48591) heeft verweerder besloten
Bij besluit van 30 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting via Skype heeft plaatsgevonden op 2 juli 2020. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de zijde van verweerder heeft voorts deelgenomen M. van Putten (afdeling Verkeer).
Overwegingen
Begin maart 2018 is een groot deel van de herinrichting van de Lammermarkt te
Leiden afgerond, waaronder de hoek van de Nieuwe Beestenmarkt naar de 2e Binnenvestgracht te Leiden (de hoek, de bocht). Deze herinrichting loopt deels vooruit op het Project Stationsomgeving, waarbij het, gelet op de gemeentelijke Mobiliteitsnota 2015-2022, de bedoeling is om geen lijnbussen meer te laten rijden door (de Steenstraat en) de 2e Binnenvestgracht.
Verweerder heeft klachten ontvangen dat bij de hoek sprake was van een onveilige verkeerssituatie, omdat lijnbussen die de bocht nemen worden geconfronteerd met tegemoetkomende fietsers. De fietsers komen in de verdrukking, hetgeen tot bijna-ongevallen leidt.
Een medewerker van de gemeente Leiden heeft de situatie in maart 2018 ter plaatse bekeken en is tot de conclusie gekomen dat sprake is van een gevaarlijke verkeerssituatie.
Eind maart 2018 is een aantal ontwerptekeningen met varianten ter oplossing van deze verkeerssituatie bezien. Gekozen is voor variant 3, waarbij de rijbaan niet wordt verbreed maar een bypass voor tegemoetkomende fietsers over het trottoir op de hoek wordt aangelegd.
Eind juni/begin juli 2018 is de verkeerssituatie aangepast door middel van het plaatsen van de verkeersborden, het aanleggen van een fietspad (de zogenoemde bypass) en het aanbrengen van haaientanden op het fietspad.
Op 7 augustus 2018 heeft de politie negatief geadviseerd over het voorgenomen verkeersbesluit, dat op 26 juli 2018 door de politie is ontvangen. Het aanleggen van een vrij liggend fietspad is, volgens de politie, niet handhaafbaar en past niet binnen de principes van “Duurzaam Veilig”. De voorgestelde inrichting voldoet niet aan de CROW-richtlijnen.
Bij het primaire besluit van 22 augustus 2018 heeft verweerder het verkeersbesluit genomen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de aanpassing van de route van de lijnbussen (zie r.o. 1.1.) nog niet is doorgevoerd en dat naar verwachting de lijnbussen de komende twee à drie jaar nog wel vanaf de Nieuwe Beestenmarkt door de 2e Binnenvestgracht zullen rijden. Dit gegeven heeft onvoldoende aandacht gekregen tijdens de ontwerpfase. Er is na de openstelling van de 2e Binnenvestgracht voor lijnbussen een acuut verkeersonveilige situatie ontstaan. Besloten is om direct de bypass te realiseren en via haaientanden op de bypass een voorrangsregeling in te stellen, waarbij fietsers op de bypass voorrang dienen te verlenen aan het overige verkeer op de Nieuwe Beestenmarkt.
Dit fietspad blijft ingesteld tot het moment waarop geen bussen meer door de
2e Binnenvestgracht zullen rijden, waarna de maatregel ongedaan wordt gemaakt.
2. Bij het bestreden besluit is het verkeersbesluit gehandhaafd. Hieraan is het advies
van de regionale commissie bezwaarschriften (de commissie) van 26 juli 2019 ten grondslag gelegd.
3. Eiser heeft op hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, uitspraak van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3761) komt een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) genoemde begrippen. De bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Daarbij geldt dat het bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1619)
Eiser heeft aangevoerd dat de voorbereiding van het verkeersbesluit gebreken vertoont. Dit besluit is genomen zonder dat belanghebbenden zijn geïnformeerd en er is geen gelegenheid geboden voor inspraak.
De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft betwist dat direct na de openstelling van de
2e Binnenvestgracht voor lijnbussen bij de hoek een acute onveilige verkeerssituatie is ontstaan en dat daar met spoed een oplossing voor diende te komen. Uit het BABW vloeit niet voort dat belanghebbenden van meet af aan bij de voorbereiding van een verkeersbesluit moeten worden betrokken. Verweerder heeft erkend dat het de voorkeur heeft om belanghebbenden voorafgaand aan het nemen van een verkeersbesluit te informeren. Nu de onveilige verkeerssituatie zich acuut voordeed - ze was niet voorzien in de ontwerpfase - en zeer voortvarend moest worden aangepast ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat reeds door het niet informeren van belanghebbenden het verkeersbesluit niet houdbaar moet worden geacht.
Eiser heeft voorts aangevoerd dat ingevolge artikel 24 van het BABW eerst overleg met de politie moet worden gevoerd voordat een verkeersbesluit kan worden genomen en, volgens eiser, ook feitelijk kan worden uitgevoerd. Volgens hem vloeit uit artikel 27 van het BABW voort dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat verkeersbesluiten, waartegen bezwaar is gemaakt, hetgeen kan leiden tot een herroeping of aanpassing daarvan, direct ten uitvoer worden gelegd.
De rechtbank overweegt dat artikel 24, eerste lid, onder a, van het BABW alleen volgt dat overleg met de politie moet plaatsvinden voorafgaand aan het nemen van het verkeersbesluit. Deze bepaling en ook overige relevante regelgeving stelt daaraan geen verdere vereisten (zie de vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals de uitspraak van
26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1921). Niet in geschil is dat de politie een advies heeft uitgebracht voorafgaand aan het verkeersbesluit. Een positief advies van de politie is echter geen vereiste voor het nemen van een verkeersbesluit dan wel voor de feitelijke uitvoering daarvan. Evenmin volgt uit de regelgeving dat een door de politie gegeven advies over een te nemen verkeersbesluit bindend is. Voor zover eiser beoogt te stellen dat is gehandeld in strijd met artikel 24 van het BABW, wordt hij daarin niet gevolgd.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 27 van het BAWB ziet op een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de WVW 1994 en niet, zoals hier aan de orde, een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994.
De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder, nu het verkeersbesluit ziet op het instellen van een fietspad door het plaatsen van bepaalde verkeersborden en het aanbrengen van afzonderlijke tekens op het wegdek. Dit betekent dat artikel 27 van het BABW niet van toepassing is en verweerder niet een termijn van zes weken hoefde af te wachten voor het onderhavige verkeersbesluit in werking mocht treden.
De rechtbank stelt in navolging van verweerder vast dat het verkeersbesluit is genomen ten behoeve van het verzekeren van de veiligheid op de weg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994.
In de uitspraak van 24 januari 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:AZ6852) heeft de Afdeling overwogen dat in het kader van de voorbereiding van het verkeersbesluit aandacht zal moeten worden besteed aan mogelijke alternatieve maatregelen die een zelfde effect bereiken met minder bezwaren, maar het is aan het bestuursorgaan om een keuze te maken.
In rechte ligt de vraag voor of verweerder in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen.
Het betreft hier de situatie dat lijnbussen die de bocht naar de 2e Binnenvestgracht nemen worden geconfronteerd met tegemoetkomende fietsers, waarbij de fietsers in die bocht in de verdrukking komen.
De verkeerskundige van de gemeente heeft vier alternatieven onderzocht. Variant 1 zag op het verbreden van de rijbaan, waardoor meer ruimte voor de lijnbussen zou ontstaan, maar tevens het gemotoriseerd verkeer de kans zou krijgen om harder door de bocht te rijden. Bij varianten 2 tot en met 4 werd de rijbaan niet verbreed. Bij varianten 2 en 4 werd op de rijbaan in de bocht een (als zodanig herkenbare) fietsstrook aangebracht, waardoor de ruimte in de bocht hetzelfde zou blijven. De gekozen variant 3 voorzag in de bypass over het trottoir.
De rechtbank overweegt dat de politie weliswaar een negatief advies heeft uitgebracht, maar in dat advies onderschrijft de politie wel het standpunt van verweerder dat fietsers en bromfietsers in de verdrukking kwamen bij het (tegemoetkomend) passeren van een lijnbus. Met het realiseren van de bypass worden, volgens de politie, alleen fietsers en snorfietsers gefaciliteerd. Voor bromfietsers blijft de verkeerssituatie onveilig. Volgens de politie voldoet variant 3 niet aan de CROW-richtlijnen en geadviseerd wordt om de bocht ruimer te maken.
Nu hier geen sprake is van een bindend advies van de politie en ook de door de politie gehanteerde CROW-richtlijnen, zoals vermeld door CROW op de eigen website (www.crow.nl bij het kopje veelgestelde vragen verkeer en vervoer), niet bindend zijn, mag door de wegbeheerder, in dit geval verweerder, worden afgeweken van het advies van de politie. De rechtbank overweegt dat verweerder voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom, in afwijking van het advies van de politie, is gekozen voor variant 3. Ook uit het advies van de politie volgt dat bij variant 3, anders dan bij de andere varianten, in ieder geval voor fietsers en snorfietsers de kans op confrontatie met lijnbussen in de bocht verminderd wordt. Dat variant 3 mogelijk niet voldoet aan CROW-richtlijnen kan hier niet doorslaggevend worden geacht.
Eiser, die eigenaar is van het pand op de hoek, heeft aangevoerd dat zijn pand door het verkeersbesluit in (woon)waarde daalt. Hij heeft dit echter niet met (bewijs)stukken onderbouwd. De enkele stelling dat dit een automatisme is, vormt onvoldoende onderbouwing (zie eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2007).
Eiser heeft voorts aangevoerd dat zijn belangen zijn geschaad, omdat hij wordt belemmerd in de uitbreidings- en renovatieplannen van zijn bedrijf. Zo heeft eiser ter zitting meegedeeld dat een plan voor een terras op het trottoir wordt bedreigd door de bypass. Verweerder heeft daarentegen vastgesteld dat eiser geen concrete aanvragen heeft ingediend en stellingen over frustratie van zijn plannen onvoldoende heeft onderbouwd. Een terras is volgens verweerder bovendien planologisch niet toegestaan. Verweerder heeft voorts ter zitting meegedeeld dat het pand al een paar jaar leeg staat en dat uit de foto’s bij de gedingstukken blijkt dat het pand te huur wordt aangeboden. Eiser heeft het door verweerder gestelde niet weersproken.
De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nadelige gevolgen ondervindt van het verkeersbesluit. De verkeersmaatregel geldt voor een langere, maar wel een bepaalde, periode. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat de nieuwe concessie voor het openbaar vervoer eind 2022 aan de orde komt en dat - naar verwacht wordt - de route van de lijnbussen dan zal veranderen. Het bestreden besluit zal worden ingetrokken zodra de lijnbussen via een andere route gaan rijden.
De rechtbank is, gelet op al het vorenstaande, van oordeel dat verweerder de relevante belangen heeft meegewogen en dat voldoende evenwichtig heeft gedaan.
6. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond .
Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2020 door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
BIJLAGE
Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994)
Artikel 2
1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
2. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
(…)
Artikel 14
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld omtrent:
a. het toepassen van verkeerstekens en onderborden;
b. het treffen van maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg; c. het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer;
(…)
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld betreffende het toepassen van verkeerstekens en onderborden.
3. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld betreffende inrichting, plaatsing, kleur, afmeting en materiaal van verkeerstekens en onderborden.
Artikel 15
1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BAWB)
Artikel 12
De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:
a. de volgende borden:
I de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13 tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;
II (…);
b. de volgende verkeerstekens op het wegdek:
(…)
VII. haaientanden.
Artikel 21
De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
Artikel 24
Verkeersbesluiten worden genomen na overleg met:
a. de korpschef,
b. (…).
Artikel 27
Verkeersbesluiten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet treden in werking met ingang van de dag, nadat een termijn van zes weken na de dag waarop het besluit is bekend gemaakt, is verstreken.
Uitvoeringsvoorschriften BABW
Hoofdstuk IV, paragraaf 2, onderdeel 7 bevat voorschriften voor de afzonderlijke tekens op het wegdek, in dit geval haaientanden.