proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
5 februari 2020 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. E.W.A. Voorbij),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 18 juli 2019 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de in rekening gebrachte belastingrente.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 4 september 2008 een geldlening verstrekt van € 1.103.460 aan de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde [bedrijf] . Als zekerheid voor deze lening is door [bedrijf] aan eiser een recht van eerste hypotheek verstrekt op de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de onroerende zaken). Per 20 februari 2012 is de [bedrijf] wegens opheffing uitgeschreven uit het handelsregister.
2. Eiser heeft een aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.112 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.291. De geldlening aan de [bedrijf] is niet opgenomen in de rendementsgrondslag van het voordeel uit sparen en beleggen.
3. Verweerder heeft bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2015 het belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met € 36.767 wegens niet aangegeven looninkomsten en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 68.429 door de rendementsgrondslag te verhogen met de vordering op de [bedrijf] van € 1.103.460.
4. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd naar € 39.739 door de vordering op de [bedrijf] te waarderen op € 772.442, zijnde 70% van de nominale waarde, en hiervan 50% toegerekend aan eiser.
5. In geschil is de waardering van de vordering op de [bedrijf] . Daarnaast is in geschil of verweerder de hoorplicht heeft geschonden en of sprake is van strijdigheid met het una via beginsel.
6. Een onderwerp kan uitsluitend onderdeel van het geschil zijn als de uitspraak op bezwaar een beslissing daarover bevat dan wel behoorde te bevatten. In de onderhavige zaak gaat het uitsluitend om een uitspraak op het bezwaar van eiser tegen de aanslag IB/PVV. Hetgeen door eiser is aangevoerd met betrekking tot de door hem ingediende verzoeken op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) valt dan ook buiten de omvang van dit geschil. De rechtbank zal daarover daarom geen oordeel geven. Dit geldt eveneens voor de klachten van eiser over het niet overleggen van stukken inzake de Wbp, de Wob, een fraudeonderzoek en de gang van zaken rond het opheffen van verschillende [bedrijf] .
7. Van schending van de hoorplicht acht de rechtbank geen sprake. Verweerder heeft eiser bij brief van 8 juli 2019 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 17 juli 2019. Eiser is niet verschenen, heeft niet laten weten dat hij verhinderd is en heeft geen andere datum voorgesteld. De klacht van eiser dat een reactietermijn van 10 dagen geen redelijke termijn is en verweerder eiser nogmaals had moeten uitnodigen faalt. Dit geldt te meer aangezien eiser zelf middels een ingebrekestelling van 5 juli 2019 verweerder heeft aangemaand tot het binnen twee weken doen van uitspraak op bezwaar.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de waardering van de vordering op de [bedrijf] op een bedrag van € 772.442 aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser het eerste recht van hypotheek heeft op de onroerende zaken, waardoor hij zich kan verhalen op de onroerende zaken. Dat de [bedrijf] niet meer bestaat doet daarbij niet ter zake aangezien het recht van hypotheek rust op de onroerende zaken. Verweerder heeft met een correctie van 30% op de nominale waarde van de vordering in voldoende mate rekening gehouden met eventuele waarde verminderende omstandigheden bij de uitoefening van het recht van parate executie door eiser als hypotheekhouder. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vordering op de [bedrijf] op een lager bedrag, laat staan op nihil moet worden gewaardeerd. De stelling dat [bedrijf] is opgehouden te bestaan en eiser daarom gehouden was de vordering op [bedrijf] af te waarderen naar nihil is daartoe onvoldoende. Eisers blote stelling dat wijlen de heer [C] de hypotheek heeft afgelost, kan de rechtbank niet volgen. Als eiser bedoelt dat [C] namens de [bedrijf] de vordering zou hebben afgelost, dan acht de rechtbank dat ongeloofwaardig aangezien deze stelling in strijd is met wat in eisers beroepschrift is gesteld en eiser een dergelijke aflossing niet met stukken heeft onderbouwd. Daarbij komt dat indien de gestelde aflossing juist is, dit niet leidt tot het oordeel dat het in geschil zijnde bedrag niet tot de rendementsgrondslag behoort aangezien eiser dan geld zou moeten hebben ontvangen dat tot de rendementsgrondslag behoort. Verder heeft het in juli 2016 door de officier van justitie gelegde conservatoir beslag geen effect op de waardering van de vordering op de waardepeildatum van 1 januari 2015. Voorts heeft eiser met het overleggen van een algemene prijsindex van commercieel vastgoed niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaken met 40% is gedaald ten opzicht van de aankoopprijs in 2008. De door eiser gestelde zakelijke en kwalitatieve rechten rustten volgens verweerder ook al op de onroerende zaken bij aankoop door de [bedrijf] in 2008, zodat deze geen reden vormen voor het uitgaan van een lagere waarde van het onroerende goed in 2015.
9. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat de belastingrente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel.
10. Van schending van het una via beginsel is geen sprake aangezien bij de aanslag IB/PVV geen boete is opgelegd.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Roodhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.