RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser V-nummer: [V-nummer]
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/7438
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 7 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit. Hij is geboren op [Geboortedatum]
2. Op 20 februari 2015 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend met als doel bij zijn familie- of gezinslid [Naam familie- of gezinslid] te verblijven. Op 24 november 2019 heeft eiser een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen ingediend.
3. Bij besluit van 14 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is verzonden naar de gemachtigde van eiser. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
4. Bij besluit van 21 februari 2020 heeft verweerder eisers aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen. Dit besluit is enkel verzonden naar eiser.
5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gegrond verklaard.
6. Eiser voert aan dat verweerder het nuttig effect van de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) heeft geschonden en aan eiser een doeltreffend rechtsmiddel heeft onthouden door twee afzonderlijke primaire besluiten te nemen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de bezwaartermijn aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is er geen sprake van bekendmaking als bedoeld in artikel 6:8, eerste lid, van de Awb indien het besluit niet wordt toegezonden aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde. Bij wijze van voorbeeld wijst de rechtbank op de uitspraak van 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5700. Daarom kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat er geen doeltreffend rechtsmiddel open stond tegen het besluit van 21 februari 2020.
8. In dit beroep is niet het besluit van 21 februari 2020 maar het bestreden besluit aan de orde. De rechtbank moet ambtshalve het procesbelang beoordelen. Procesbelang is aanwezig als een belanghebbende door het voeren van de procedure in een gunstigere positie kan komen. Dat is hier niet het geval nu het bestreden besluit de gegrondverklaring van het bezwaar inhoudt. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen procesbelang aanwezig is.
9. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.