RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser V-nummer: [nummer]
Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL20.20044
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher), en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.20045, plaatsgevonden op 16 december 2020. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. Op 3 november 2020 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend en ondertekend. Op deze aanvraag staat vermeld dat eiser de Tunesische nationaliteit bezit. Vervolgens heeft eiser tijdens zijn gehoor veilig land van herkomst verklaard dat hij niet de Tunesische maar de Algerijnse nationaliteit bezit. Eiser zou van mensen hebben gehoord dat Algerijnen geen asiel krijgen en dat hij zich dus beter kan voordoen als Tunesiër. Verder heeft eiser aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij uit zijn land is vertrokken omdat er geen werk is, er geen rechten zijn en hij een medische behandeling aan zijn arm en gebit wil.
3. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.1 Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser economische motieven en medische omstandigheden die geen raakvlakken hebben met het Vluchtelingenverdrag2 dan wel artikel 3 van het EVRM.3 In geval van eiser zijn de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst wel relevante elementen. Verweerder volgt eiser niet in zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst en gaat er vanuit dat hij afkomstig is uit Tunesië is en niet Algerije. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit. Nu de Algerijnse nationaliteit niet aannemelijk is, heeft verweerder ook niet nader onderzoek hoeven doen naar eventuele problemen in Algerije. Ten slotte is niet gebleken dat eiser in Tunesië heeft te vrezen voor schending artikel 3 van het EVRM.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Verweerder gaat ten onrechte uit van de Tunesische nationaliteit. Het dossier biedt diverse aanknopingspunten waarmee eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit. Deze aanknopingspunten zijn registratie in België met de Algerijnse nationaliteit en dat de vreemdelingenpolitie Algerijnse indicaties heeft gevonden op eisers telefoon. Verweerder heeft dan ook ten onrechte nagelaten om te onderzoeken of Algerije als veilig land van herkomst geldt in eisers geval.
5. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 31, eerste lid, van de Vw volgt dat het aan eiser is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken.4 Vaststaat dat eiser geen enkel origineel document heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van de Tunesische nationaliteit dient te worden uitgegaan. Hieraan ligt ten grondslag dat eiser bij zijn asielaanvraag zelf heeft verklaard dat hij de Tunesische nationaliteit bezit en heeft die aanvraag ook ondertekend. Verweerder mag van deze verklaring uitgaan.5 Dat eiser in België met de Algerijnse nationaliteit staat geregistreerd doet hier niet aan af, aangezien hij in België ook andere namen en geboortedata heeft opgegeven. Van de in België opgegeven gegevens kan dan ook niet zonder meer worden uitgegaan.. Dat de vreemdelingenpolitie indicaties op eisers telefoon heeft aangetroffen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat eiser misschien uit Algerije afkomstig zou kunnen zijn, is daartoe onvoldoende.
6. De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet heeft bestreden dat Tunesië in het algemeen heeft te gelden als veilig land van herkomst. Ook heeft eiser niet bestreden dat niet is gebleken van persoonlijke problemen waardoor hij in Tunesië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. In het geval van eiser kan Tunesië dan ook worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Verweerder heeft zich in het licht van het onder 5 overwogene dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding was om onderzoek te doen naar eventuele problemen van eiser in Algerije.
7. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
1. Vreemdelingenwet 2000.
2 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (1951).
3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4 Uitspraak van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2787.
5 Uitspraak van 13 januari 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:107.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 december 2020
Documentcode: DSR13594106
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.