RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van
[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.17979
(gemachtigde: mr. B. Anik),
en
(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).
Procesverloop Bij besluit van 25 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.17980, plaatsgevonden op 23 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.L. Moallemzadeh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag geplaatst of eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1987. Eiser heeft op
11 mei 2018 een eerste asielaanvraag voor bepaalde tijd ingediend op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Het beroep tegen de afwijzende beschikking is gegrond verklaard met instandlating van de rechtsgevolgen. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld.
Op 9 juli 2018 heeft eiser een herhaalde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 25 september 2018 onderhavige aanvraag niet-ontvankelijk verklaard nu sprake is van een herhaalde aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen die beschikking onderhavig beroep ingesteld.
Op 30 januari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
(de Afdeling) het hoger beroep van eiser in zijn eerste asielprocedure gegrond
verklaard (ECLI:NL:RVS:2019:280) en verweerder opdracht gegeven opnieuw op
de aanvraag van eiser te beslissen.
Vervolgens heeft verweerder op 27 augustus 2019 opnieuw beslist over de eerste asielaanvraag van eiser. Bij de beoordeling zijn ook de door eiser in zijn tweede asielprocedure ingebrachte documenten betrokken.
Tegen voornoemd besluit heeft eiser beroep ingesteld. In de uitspraak van
3 december 2019 heeft de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2019:14346) het beroep ongegrond verklaard.
2. De rechtbank is van oordeel dat het belang aan de onderhavige procedure is ontvallen. De documenten die eiser in de herhaalde asielprocedure heeft ingebracht zijn, nadat de afwijzende beschikking in de eerste asielprocedure is vernietigd door de Afdeling waarmee wederom op de oorspronkelijke aanvraag moest worden beslist, immers meegenomen in de procedure over die eerste aanvraag en in dat kader (opnieuw) bekeken en beoordeeld in de beschikking van 27 augustus 2019. Eveneens zijn deze documenten betrokken bij de uitspraak van deze rechtbank naar aanleiding van het beroep tegen laatstgenoemd besluit gedaan op 3 december 2019 (zaaknummer NL19.21446), waartegen inmiddels hoger beroep is ingesteld. Daarmee zijn alle documenten die in deze procedure ten grondslag zijn gelegd aan de opvolgende aanvraag onderdeel geworden van de procedure naar aanleiding van de eerste aanvraag. Eiser kan met een beoordeling van het onderhavige beroep dan ook niet in een andere of betere positie komen. Omdat er geen procesbelang is, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.P.C. Vonck, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.