22. Wat betreft de materiële kosten heeft verzoeker de volgende kosten gesteld:
- kosten ziekenhuis in Pakistan € 1.100,-;
- totale kosten vlucht uit Pakistan € 15.024,-;
- advocaatkosten € 4.446,80.
23. Over de door verzoeker begrote ziekenhuiskosten heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze kosten enkel zijn onderbouwd door het (voor het eerst) noemen van de naam van het op 35 kilometer afstand gelegen ziekenhuis waar hij naartoe zou zijn gebracht. Ook de gegevens van degene die hem al dan niet belangeloos naar dat ziekenhuis zou hebben gebracht ontbreken. Verweerder wijst er terecht op dat verzoeker ook zonder te beschikken over de schriftelijke medische informatie van het desbetreffende ziekenhuis, meer informatie had kunnen verstrekken om de door hem gestelde schade aannemelijk te maken. Onduidelijk blijft immers ook welke diagnose zou zijn gesteld, welke behandeling(en) verzoeker zou hebben ondergaan, of een of meerdere van de gestelde verwondingen door messteken zouden zijn gehecht, of verzoeker opgenomen is geweest en, zo ja, hoe lang die opname geduurd zou hebben. De gestelde kosten van de behandeling in het ziekenhuis in Pakistan komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
24. De totale kosten van zijn vertrek uit Pakistan en zijn clandestiene reis naar Duitsland heeft verzoeker begroot op € 15.024,-. Dit bedrag kan volgens verzoeker worden onderverdeeld in een bedrag van € 11.000,- dat is betaald aan smokkelaars, een bedrag van € 3.000,- dat is betaald aan de Pakistaanse politie om het land te mogen verlaten en een bedrag van € 1.500,- aan andere kosten, zoals aanvullende reiskosten en overnachtingen. Ook wat betreft deze kosten is de rechtbank van oordeel dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat de gestelde kosten (en het causaal verband met de aan verweerder verweten gedraging) niet zijn onderbouwd of anderszins op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat de beweerdelijk betaalde steekpenningen en kosten onderweg enkel zijn onderbouwd met het relaas van verzoeker zelf. Het gestelde dat de geclaimde reiskosten gangbaar zijn voor vluchtelingen om Europa te bereiken heeft verweerder eveneens ontoereikend kunnen achten. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals hierboven is overwogen, niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker, om basale veiligheid te vinden, naar West-Europa heeft moeten reizen. De gestelde reiskosten ten bedrage van € 15.024,- komen derhalve niet (geheel) voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank neemt wel in aanmerking dat verzoeker in Nederland asiel is verleend en hij onrechtmatig is uitgezet naar Pakistan, zodat op Nederland een rechtsplicht zou hebben gerust om verzoeker naar Nederland terug te halen. Dat maakt dat een vergoeding voor reiskosten in de vorm van een vliegticket voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank begroot deze kosten op € 500,-.
25. Wat betreft de door verzoeker gestelde advocaatkosten heeft verweerder er met verwijzing naar de artikelen 8:75, eerste lid, en 8:94, eerste lid, van de Awb terecht op gewezen dat bij de behandeling van een verzoek om schadevergoeding de proceskostenveroordeling plaatsvindt overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, die een exclusieve regeling inhoudt en maakt dat er voor aan (aanvullende) vergoeding van proceskosten met toepassing van artikel 8:88 van de Awb geen plaats is.
Resumerend.
26. Voor vergoeding komen in aanmerking:
€ 15.740,-
De bedrag wordt verminderd met het bedrag van € 500,- dat verweerder al betaald heeft, zodat het bedrag aan schadevergoeding per saldo € 15.240,- bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift (26 juli 2018).
27. Omdat het beroep op betalingsonmacht voor het betalen van griffierecht is gehonoreerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
28. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke aanvulling na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.312,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier, op
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderdde uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:28 mei 2020
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.