RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.7732
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
(gemachtigde: mr. R.A.P.M. van der Zanden).
Procesverloop Bij besluit van 6 juni 2018 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Op 16 april 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, eisers beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2018 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag (zaaknummer NL18.12268).
Op 3 november 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Bij uitspraak van 6 januari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, dat beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen zeven weken alsnog een besluit bekend te maken (zaaknummer NL19.26389).
Bij besluit van 20 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en E. de Rijk van het Nidos. Als tolk is verschenen G.M.A. Al-Harbia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
4. Eiser heeft in beroep allereerst betoogd dat verweerder in het bestreden besluit niet of nauwelijks inhoudelijk heeft gereageerd op zijn zienswijze. In de zienswijze is uitgebreide kritiek geleverd op het afschaffen van het 15c-beleid voor Darfur, die niet afdoende is weerlegd. Evenmin is gereageerd op de genoemde risicofactoren die maken dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Soedan. De rechtbank volgt eiser in dit betoog. Pas in het verweerschrift van 4 mei 2020 is verweerder ingegaan op eisers kritiek op het afschaffen van het 15c-beleid en is uitgebreid gemotiveerd waarom er volgens verweerder op dit moment geen sprake is van een 15c-situatie in Soedan. Voor wat betreft de risicofactoren heeft verweerder ter zitting erkend dat daar in het bestreden besluit onvoldoende op is ingegaan. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat er in het bestreden besluit niet of nauwelijks is ingegaan op eisers betoog omtrent het niet tijdig nemen van een nieuw besluit. Reeds hierom is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank hieronder beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven en daarbij de inhoud van het verweerschrift betrekken.
5. Eisers tweede beroepsgrond gaat over de lange beslistermijn. Eiser heeft erop gewezen dat de wettelijke termijn waarbinnen verweerder opnieuw had moeten beslissen op zijn asielaanvraag verstreek op 16 oktober 2019. Indien verweerder binnen deze termijn een beslissing zou hebben genomen, dan zou de aanvraag ingewilligd zijn, omdat toen nog werd aangenomen dat er sprake was van een 15c-situatie in Darfur. Eiser stelt dat verweerder daarom (ook) had moeten toetsen aan het oude beleid (WBV 2018/3). Verweerder had er daarbij voor kunnen kiezen om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen en deze, in hetzelfde besluit, weer in te trekken. Eiser heeft daar belang bij, omdat de vraag of verweerder over had mogen gaan tot beëindiging van het 15c-beleid een andere is dan de vraag of verweerder op dit moment ten onrechte geen 15c-beleid voert. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 12 augustus 2010, een uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2016 en artikel 16, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn.
6. Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat eiser ten tijde van het verstrijken van de beslistermijn in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat op dat moment nog werd aangenomen dat er in Darfur sprake was van een 15c-situatie.
7. Zoals hiervoor onder 2 is weergegeven, heeft de rechtbank het eerdere besluit op 16 april 2019 vernietigd omdat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eisers nationaliteit en herkomst niet aannemelijk werden geacht. De gemachtigde van eiser heeft daarna meerdere malen – te weten op 21 juni 2019, 1 juli 2019, 31 juli 2019, 8 augustus 2019 en 28 augustus 2019 – aan verweerder gevraagd om snel een nieuw besluit te nemen. Daarbij heeft hij steeds benadrukt dat eiser minderjarig is en al sinds 26 februari 2017 wacht op een definitieve beslissing op zijn asielaanvraag. De beslistermijn verstreek op 16 oktober 2019. Omdat er nog steeds geen besluit was genomen, heeft eiser verweerder op 17 oktober 2019 in gebreke gesteld en daarna op 3 november 2019 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 6 januari 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch, uitspraak gedaan op dat beroep. In die uitspraak is vastgesteld dat verweerder was begonnen met nader onderzoek: eiser is op 26 november 2019 aanvullend gehoord en verweerder heeft op 12 juli 2019 aanvullende vragen gesteld aan UNHCR. Omdat een reactie uitbleef, is op 17 september 2019 en 20 november 2019 gerappelleerd bij UNHCR. De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel van verweerder niet verlangd kan worden een besluit onzorgvuldig voor te bereiden, er een redelijke grens moet worden gesteld aan de termijn voor het afwachten van een dergelijk onderzoek. De rechtbank heeft geoordeeld dat die grens in het geval van het UNHCR onderzoek na een half jaar in zicht is gekomen. Er viel kennelijk geen resultaat meer te verwachten, er moest daarom op de aanvraag worden beslist. De rechtbank heeft verweerder opgedragen binnen zeven weken een beslissing te nemen.
8. Uit de arresten Torubarov en Alheto van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat indien een dossier na vernietiging van het besluit wordt terugverwezen naar verweerder, er binnen een korte termijn een nieuwe beslissing moet worden genomen die in overeenstemming is met de uitspraak van de rechtbank. Dit volgt, zo heeft het Hof geoordeeld, uit de doelstelling van de Procedurerichtlijn om te zorgen voor een zo snel mogelijke behandeling van asielverzoeken, uit de verplichting om een nuttig effect van artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn te garanderen en uit de uit artikel 47 van het Handvest voortvloeiende noodzaak om de doeltreffendheid van het beroep te verzekeren.
9. Uit artikel 31, tweede en negende lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat een asielprocedure zo spoedig mogelijk moet worden afgerond en dat de beslistermijn slechts overschreden kan worden indien dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van de asielaanvraag. Uit het vijfde lid volgt dat een asielprocedure in ieder geval binnen 21 maanden na indiening van de aanvraag moet worden afgerond.
10. Uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest volgt dat de belangen van het kind een essentiële overweging vormen bij alle handelingen in verband met kinderen. Op grond van artikel 31, zevende lid, van de Procedurerichtlijn kan voorrang worden verleend aan de behandeling van het asielverzoek van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, vanwege hun bijzondere kwetsbaarheid. Ook het VN Kinderrechtencomité benadrukt in paragraaf 70 van haar General Comment nr. 6 dat asielverzoeken van niet-begeleide minderjarigen voorrang dienen te krijgen en dat er alles aan dient te worden gedaan om snel en eerlijk een beslissing te nemen.
11. De rechtbank stelt vast dat verweerder het onderzoek bij UNHCR al op 6 december 2017 is begonnen. Op 14 maart 2018 heeft UNHCR verweerder laten weten dat eisers verblijf in het vluchtelingenkamp in Tsjaad niet bevestigd kan worden. Onduidelijk is welke aanvullende vragen verweerder aan UNHCR heeft gesteld en waarom dit van belang was voor de vaststelling van eisers nationaliteit en herkomst. Verder heeft verweerder zowel in het verweerschrift van 10 december 2019 in de beroepsprocedure over het niet tijdig beslissen, als in het bestreden besluit aangegeven dat de vertraging in eisers procedure te wijten is aan de achterstanden bij de IND. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat het overschrijden van de beslistermijn in dit geval noodzakelijk was. Gelet op de omstandigheden van dit geval heeft verweerder in strijd met het beginsel van rechtszekerheid en met de belangen van het kind ten onrechte geen voorrang verleend aan de behandeling van eisers aanvraag. Eiser is een niet-begeleide minderjarige die ten tijde van zijn asielaanvraag pas 13 jaar oud was. Inmiddels wacht hij al meer dan drie jaar op een definitieve beslissing op zijn asielaanvraag, terwijl hij afkomstig is uit een gebied waarvan verweerder tot voor kort aannam dat daar sprake is van een 15c-situatie. Niet valt in te zien waarom het aanvullend gehoor over eisers nationaliteit en herkomst niet op korte termijn na de vernietiging van het vorige besluit had kunnen plaatsvinden, zodat er binnen de beslistermijn een inwilligend besluit genomen had kunnen worden.
12. De rechtbank concludeert dan ook dat deze beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand kunnen blijven. De rechtbank zal vervolgens onderzoeken of zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak kan voorzien. Zoals hiervoor is vastgesteld, is tussen partijen niet in geschil dat eiser op het moment dat de beslistermijn was verstreken, in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel omdat het 15c-beleid op dat moment nog niet was afgeschaft. Dit betekent dat eiser door de handelswijze van verweerder ernstig in zijn belangen is geschaad. De rechtbank moet echter volledig en ex nunc beoordelen of eiser op grond van de criteria uit de Kwalificatierichtlijn in aanmerking komt voor internationale bescherming. Op dit moment voert verweerder geen 15c-beleid meer, zodat niet zonder nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat aan eiser een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend. Dit betekent dat de rechtbank verder zal gaan met het bespreken van eisers beroepsgronden.
13. Eiser heeft betoogd dat er op dit moment wél sprake is van een 15c-situatie in Soedan en heeft dit betoog ook uitgebreid onderbouwd. Ook heeft eiser onderbouwde kritiek geleverd op het nieuwe beleid van verweerder over de risicogroep/kwetsbare minderheidsgroep ‘vreemdelingen die (vermeend) aanhanger zijn van een (gewapende) oppositiegroep’. Volgens dit beleid behoort een vreemdeling in ieder geval tot deze groep als hij behoort tot een niet-Arabische bevolkingsgroep, afkomstig uit Darfur en de vreemdeling hier voorafgaande aan zijn komst naar Nederland zijn normale woonplaats had. Eiser betoogt dat de voorwaarde van de normale woonplaats in strijd is met het Unierecht. De rechtbank stelt vast dat allebei deze beroepsgronden een zaakoverstijgend karakter hebben en dat daar nog geen, althans weinig, jurisprudentie over is. Om die reden zou een zorgvuldige beoordeling van deze beroepsgronden betekenen dat eisers zaak verwezen zou moeten worden naar een meervoudige kamer. Dit zou echter een aanzienlijke vertraging van de beroepsprocedure opleveren en, gelet op wat eerder in deze uitspraak is overwogen, is dat niet in het belang van eiser. Eiser heeft recht op een definitieve beslissing op zijn asielaanvraag op korte termijn. De rechtbank zal daarom aan deze beroepsgronden voorbij gaan.
14. Eiser heeft vervolgens betoogd dat hij op grond van zijn persoonlijke situatie in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Hij heeft daartoe gewezen op de verschillende risicofactoren die maken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Darfur, Soedan. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4 al is overwogen, is verweerder hier in het bestreden besluit onvoldoende op ingegaan. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit evenmin in het verweerschrift van 4 mei 2020 heeft gedaan. De rechtbank overweegt met betrekking tot deze risicofactoren als volgt.
14. Eisers asielrelaas is geloofwaardig bevonden. Daarmee staat vast dat eiser in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade: eisers familie en dorpsgenoten zijn aangevallen door de Janjaweed omdat zij behoren tot de Masalit, een niet-Arabische stam. Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn volgt dat dit een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging of het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Dat de aanval meer dan 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden, zoals verweerder heeft opgemerkt, is daarvoor onvoldoende, nu deze bevolkingsgroep nog immer gediscrimineerd wordt en een verhoogd risico loopt op mensenrechtenschendingen in Darfur. Eiser heeft in dit verband terecht verwezen naar het rapport van het Asylum Research Centre van januari 2020, waaruit blijkt dat de Masalit nog steeds een risico lopen en dat dit ook geldt voor mensen die terugkeren naar Darfur. Verder staat vast dat eiser minderjarig is en reeds daarom is hij (extra) kwetsbaar. Verder blijkt zowel uit het ambtsbericht (zie p. 35) als uit het door eiser aangehaalde rapport van het CGVSRA dat eiser vanwege zijn etniciteit en jonge leeftijd een zeer groot risico loopt om door de regeringstroepen te worden aangemerkt als aanhanger van een rebellengroep. Hij loopt daardoor een groot risico gearresteerd en gefolterd te worden. Tot slot volgt uit het ambtsbericht (zie p. 40-41 en p. 90) en het door eiser aangehaalde rapport van de FIDH en ACJPS dat eiser, eveneens vanwege zijn leeftijd en etniciteit, een verhoogd risico loopt op gedwongen rekrutering.
16. Al deze risicofactoren tezamen, in combinatie met de veiligheidssituatie in Darfur die nog immer precair en instabiel is, maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat niet volgehouden kan worden dat eiser bij terugkeer naar Darfur geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. In het verweerschrift heeft verweerder verwezen naar een aantal arresten van het EHRM over personen uit Soedan die behoren tot niet-Arabische bevolkingsgroepen, waarin is geoordeeld dat zij geen reëel risico lopen enkel op basis van hun etniciteit. Zoals verweerder echter zelf al heeft opgemerkt, heeft het EHRM in die arresten overwogen dat moet worden bezien of er sprake is van andere risicofactoren. Dat heeft verweerder in het geval van eiser echter nagelaten. De rechtbank merkt verder nog op dat de personen waar deze arresten over gaan allemaal afkomstig waren uit (de regio van) Khartoem en niet, zoals eiser, uit Darfur. De verwijzing naar deze arresten kan daarom niet tot een ander oordeel leiden.
17. De rechtbank is van oordeel dat eiser, gelet op de criteria uit de Kwalificatierichtlijn, in aanmerking komt voor internationale bescherming. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en draagt verweerder op om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw met ingang van 26 februari 2017.
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding om een hogere wegingsfactor aan deze zaak toe te kennen, omdat deze naar haar oordeel niet als ‘zwaar’ of ‘zeer zwaar’ aangemerkt kan worden. Dat de gemachtigde van eiser veel meer tijd dan te doen gebruikelijk heeft besteed aan het opstellen van de gronden van beroep, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de kosten die eiser heeft gemaakt voor het inschakelen van een deskundige. C.E. Reeves heeft een rapport opgesteld over de veiligheidssituatie in Darfur, specifiek voor niet-Arabische bevolkingsgroepen en nog meer specifiek voor de persoon van eiser. De kosten – € 477,65 – zijn redelijk te noemen en bovendien niet door verweerder betwist. Tot slot dient verweerder ook de reiskosten te vergoeden die eiser heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting. Deze bedragen € 44,40.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.