RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.4007
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp).
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italiƫ daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting in de beroepszaak heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 3 maart 2020 het onderzoek ter zitting geschorst en het beroep aangehouden totdat er duidelijkheid is verkregen naar aanleiding van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan Nederland gestelde vragen met betrekking tot de overdracht aan Italiƫ van bijzonder kwetsbare personen zoals in dit geval.
Bij besluit van 29 juni 2020 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Verweerder ziet daarbij geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit ingetrokken, omdat op 11 juni 2020 de uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Verweerder ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de intrekking niet het gevolg is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 8 april 2019.1 De overdracht is niet gerealiseerd als gevolg van de coronacrisis.
3. Eiser is van mening dat verweerder wel degelijk veroordeeld dient te worden in de proceskosten van eiser. Nu het bestreden besluit door verweerder is ingetrokken, zal de rechtbank geen uitspraak meer doen inzake de beroepsgronden. Gelet daarop is niet vast komen te staan dat het bestreden besluit rechtmatig was. Daarnaast is het verstrijken van de overdrachtstermijn wel een situatie die aan verweerder te verwijten valt omdat het voorzienbaar was en verweerder om een ordemaatregel had kunnen vragen.
4. De rechtbank zal het verzoek om een proceskostenveroordeling afwijzen. In de eerste plaats merkt de rechtbank op dat het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is genomen op 13 februari 2020. Pas daarna was overdracht aan de orde, ware het niet dat deze feitelijk onmogelijk is gemaakt door de coronacrisis, welke omstandigheid buiten de macht van verweerder is gelegen en dus niet aan hem verweten kan worden. Dit is aan te merken als een veranderde omstandigheid.
5. Uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de ABRvS blijkt voorts dat aanleiding bestaat om verweerder - bij intrekking van het besluit in de beroepsfase en een daarop ingetrokken beroep - in de proceskosten te veroordelen als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. In dat geval kan verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb worden veroordeeld in de proceskosten. Van tegemoetkomen is geen sprake als een in beroep bestreden besluit is gewijzigd wegens veranderde omstandigheden2. In dit geval heeft verweerder de asielaanvraag alsnog in behandeling genomen vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn. Dat is een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het bestreden besluit niet voordeed. Verweerder is met de intrekking van het besluit dan ook niet tegemoetgekomen aan de vreemdeling. Daarom bestaat geen aanleiding om hem tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
6. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
1. ECLI:NL:RVS:2019:1084.
2 vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 18 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX1816).
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
zaaknummer: NL20.4007 4
16 juli 2020
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.