RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11007
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
In het besluit van 14 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen N.N. Lwin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
verantwoordelijkheid vervolgens middels een claimakkoord van 27 februari 2020 naar verweerder bevestigd.
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat Italië niet verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek. Volgens eiseres kan verweerder namelijk niet uitgaan van het eerdere claimakkoord tussen Italië en Duitsland, omdat dit onjuist tot stand is gekomen. Duitsland heeft Italië verzocht om de behandeling van het asielverzoek over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Dat kan volgens eiseres niet, omdat haar visum al was ingetrokken voordat zij Europa binnenkwam. Daar merkt eiseres bij op dat zij in Nederland kan klagen over de onjuiste toepassing van de verantwoordelijkheidscriteria door Italië en Duitsland. Ter onderbouwing verwijst zij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 5 juli 20191 en het daarin genoemde arrest van het Hof van Justitie inzake H. en R2.
5. De rechtbank stelt vast dat het in de onderhavige zaak gaat om een overnamesituatie. Dit betekent, zo volgt uit het arrest H. en R, dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarbij een verzoek is ingediend een andere lidstaat slechts om een overname kan verzoeken indien deze autoriteit van mening is dat die andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek (zie ook in die zin arrest van 7 juni 2016, Ghezelbash, C‑63/15, EU:C:2016:409, punt 43). Uit punt 43 van het arrest Ghezelbash volgt dat het verzoek tot overname op grond van artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening moet worden gestaafd met elementen aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk is. Dit is anders in het geval van een terugnamesituatie.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en het verweerschrift voldoende heeft gemotiveerd dat hij van mening kon zijn dat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van het verzoek. De daarvoor toepasselijke elementen volgen met name uit de beschrijving in de second opinion. Gelet hierop heeft verweerder om een overname kunnen verzoeken en Italië heeft dit verzoek ook als zodanig geaccepteerd. Van een onjuiste verantwoordelijkheidsbepaling is de rechtbank niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Verder voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar asielaanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 16 van de Dublinverordening. In dit kader merkt zij op dat haar vader hulpbehoevend en afhankelijk is van de zorg die eiseres aan hem geeft. Aangezien haar vader vanwege zijn nog lopende asielaanvraag ‘wettig verblijft’ in Nederland, moet haar asielaanvraag ook in behandeling worden genomen. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst zij naar artikel 2, onderdeel l, van de Dublinverordening, het patiëntendossier van haar vader en een verklaring van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Coa). Verder voert eiseres aan dat verweerder de bevoegdheid heeft om - ondanks dat een andere lidstaat verantwoordelijk is - het asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Verweerder heeft de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende betrokken in dat kader. Daarbij verwijst eiseres nog naar onderdeel 17 uit de preambule van de Dublinverordening en merkt nog op dat haar broer en zijn gezin ook in Nederland wonen.
1. ECLI:NL:RBDHA:2019:6832.
2 ECLI:EU:C:2019:280.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen toepassing hoefde te geven aan artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Onder ‘wettig verblijft’ in de zin van dit artikel verstaat verweerder dat betrokkene – in dit geval de vader van eiser – in het bezit is van een verblijfsvergunning in Nederland of de Nederlandse nationaliteit heeft. Verweerder geeft hiermee toepassing aan paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit beleid acht de rechtbank niet kennelijk onredelijk. Op de zitting is duidelijk geworden dat op de asielaanvraag van de vader van eiseres nog geen beslissing is genomen. Hij verblijft weliswaar rechtmatig in Nederland, maar heeft geen verblijfsvergunning (of de Nederlandse nationaliteit). Daarom kan haar vader niet worden aangemerkt als iemand die in Nederland ‘wettig verblijft’ in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening.
9. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het bestaan van een gezinsband tussen eiseres en haar vader geen aanleiding geeft om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Hierbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiseres niet voldoende heeft onderbouwd dat haar vader afhankelijk is van haar hulp of dat de benodigde zorg enkel door eiseres kan worden verleend. Ook dat de broer van eiseres met zijn gezin in Nederland woont, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om artikel 17 toe te passen. Dit is overigens ook niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat geen bijzondere, individuele omstandigheden bestaan die maken dat overdracht van eiseres aan Italië van onevenredige hardheid getuigt, dan wel dat hij zich daarbij in de besluitvorming onvoldoende rekenschap van heeft gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Westerhof, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:
28 juli 2020
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.