Scheiding
Beschikking op het op 16 augustus 2019 ingekomen verzoek van:
[Y]
de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F.E.J. Menkveld te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[X]
de vrouw,
wonende te [woonplaats 2]
advocaat: mr. N. Baouch, te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 8 december 2020 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
De rechtbank heeft voornoemde echtscheidingsbeschikking uit 1994 aan partijen doen toekomen op 24 juni 2021. Daarbij heeft de rechtbank bericht dat de vrouw tot 9 juli 2021 de tijd heeft om haar standpunt aan te vullen/te wijzigen en dat de man daar tot uiterlijk 23 juli 2021 op kan reageren. De rechtbank heeft daarna alleen het bericht van 21 juli 2021 van de man ontvangen. De vrouw heeft niet meer gereageerd.
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift van de man zoals dat nu luidt strekt ertoe, naar de rechtbank begrijpt,:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De vrouw heeft haar zelfstandige verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen ingetrokken, op 20 mei 2021. Zij heeft verzocht de man de proceskosten tussen partijen te compenseren.
Beoordeling
Op grond van artikel 10:31 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig erkend. Ingevolge lid 4 wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
Nu het huwelijk met de man in Marokko heeft plaatsgevonden, moet op grond van artikel 10:31 BW naar Marokkaans recht worden beoordeeld of er sprake is van een rechtsgeldig gesloten huwelijk. Naar Marokkaans recht is het een gehuwde vrouw niet toegestaan een tweede huwelijk aan te gaan (artikel 39 onder 5 van de Code de la Famille). Volgens artikelen 57 en 58 van de Code de la Famille is een dergelijk huwelijk naar Marokkaans recht nietig.
De rechtbank heeft vlak voor de zitting van 8 december 2020 geconstateerd dat in de BRP-gegevens van de vrouw twee huwelijken geregistreerd staan. De vrouw is volgens de BRP pas op [datum 1] 1994 gescheiden van de heer [ex echtgenoot van X] , terwijl zij al op [huwelijksdatum 1] 1993 zou zijn gehuwd met de man. Hierop is de vrouw in de gelegenheid gesteld hierover opheldering te verschaffen.
De vrouw heeft vervolgens na de zitting kopieën van de Franse vertalingen van de Arabische geboorteakte van de vrouw, huwelijksakte en scheidingsakte met de heer [ex echtgenoot van X] en huwelijksakte met de man ingediend. Tevens heeft de vrouw van voornoemde documenten een kopie van de Nederlandse vertalingen van de Franse vertalingen ingediend. Uit deze documenten zou volgens de vrouw moeten blijken dat zij op [huwelijksdatum 2] 1989 gehuwd is met de heer [ex echtgenoot van X] , dat zij op [datum 10 dgn later dan scheidingsdatum] 1993 van de heer [ex echtgenoot van X] is gescheiden en dat zij pas later, op [huwelijksdatum 1] 1993, met de man is getrouwd.
De rechtbank overweegt dat de vrouw slechts kopieën van vertalingen van voornoemde aktes heeft overgelegd. De originele aktes ontbreken. De door de vrouw overgelegde documenten zijn ook niet voorzien van legalisatie- of apostillestempels. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of deze documenten zijn opgemaakt en afgegeven door een aldaar bevoegde autoriteit. Bovendien zijn deze documenten pas opgemaakt ná de zitting van 8 december 2020, te weten op 25 december 2020 en 27 januari 2021. Verder is in de kopie van de vertaling van de geboorteakte van de vrouw in de kantlijn opgenomen dat de vrouw op [scheidingsdatum] 1993 van de heer [ex echtgenoot van X] zou zijn gescheiden, terwijl de echtscheiding blijkens de kopie van de vertaling van de scheidingsakte pas op [datum 10 dgn later dan scheidingsdatum] 1993 zou hebben plaatsgevonden. Uit de overgelegde stukken kan dus niet met zekerheid worden afgeleid dat de vrouw op [datum 10 dgn later dan scheidingsdatum] 1993 in Marokko van de heer [ex echtgenoot van X] is gescheiden.
Verder overweegt de rechtbank dat uit de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank en de BRP blijkt dat de echtscheiding tussen de vrouw en de heer [ex echtgenoot van X] pas op [datum 9 maanden later dan echtscheidingsdatum] 1994 is uitgesproken en op [2 mnd later dan de hiervoor genoemde datum] 1994 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit de echtscheidingsbeschikking blijkt dat de vrouw niet in deze procedure is verschenen, maar dat wel aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Hieruit moet worden afgeleid dat het verzoekschrift op de wettelijk voorgeschreven wijze aan haar is betekend. Bovendien heeft de vrouw op de zitting van 8 december 2020 verklaard dat zij destijds, in 1994, bij een [advocaat uit woonplaats X] advocaat is geweest. Ook is blijkens de beschikking uit 1994 op verzoek van de man het huurrecht van de voormalige echtelijke woning in [woonplaats 2] aan de vrouw toegewezen. Tot slot is de echtscheidingsbeschikking binnen de appeltermijn van drie maanden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, hetgeen betekent dat de vrouw hier actief aan moet hebben meegewerkt.
Hieraan kan nog worden toegevoegd dat niet aannemelijk is dat de heer [ex echtgenoot van X] op 19 november 1993, ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek bij deze rechtbank, zou zijn ‘vergeten’ dat hij een paar maanden eerder al in Marokko van de vrouw was gescheiden. De Nederlandse echtscheidingsprocedure zou in dat geval ook niet noodzakelijk zijn geweest; de heer [ex echtgenoot van X] en de vrouw hadden die echtscheiding alsdan immers in de registers van de burgerlijke stand kunnen laten registreren. De rechtbank concludeert gelet hierop dat de vrouw pas op [datum 1] 1994 van de heer [ex echtgenoot van X] is gescheiden. Dit betekent dat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting met de man op [huwelijksdatum 1] 1993 nog met de heer [ex echtgenoot van X] gehuwd was.
Daarmee is het in Marokko gesloten huwelijk van de vrouw met de man in Marokko nietig, en kan dit in Nederland niet worden erkend. Het primaire verzoek van de man is dus toewijsbaar. Aan het subsidiair verzochte komt de rechtbank niet toe.
Nu deze procedure van familierechtelijke aard is, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd op de wijze zoals hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat het huwelijk van partijen naar Marokkaans recht nietig is;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.