RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.10550
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
(gemachtigde: mr. A. Peeters).
Procesverloop
Verweerder heeft bij besluit van 3 juni 2021 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 september 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] en de Gambiaanse nationaliteit te bezitten.
2. Bij besluit van 28 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij zijn partner [naam partner]’ ingetrokken omdat de relatie tussen eiser en zijn partner (referente) is verbroken. Als gevolg daarvan voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning aan hem is verstrekt. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder, in aanvulling op het primaire besluit, overwogen dat artikel 8 van het EVRM niet is geschonden. Ook is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb die maken dat afgeweken moet worden van het beleid van verweerder.
4. Eiser voert aan dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning voorbarig is. De echtscheiding is nog niet definitief. Hij hoopt dat de relatie met referente zich zal herstellen. Ook stelt eiser dat hij geen banden heeft met Gambia. Eiser heeft in 2016 alles in Gambia achtergelaten om zijn toekomst voort te zetten in Nederland. Sindsdien heeft hij een privéleven opgebouwd in Nederland. Hij heeft hier een sociaal netwerk en spreekt de Nederlandse taal. Eiser voorziet in zijn eigen levensonderhoud en vormt geen belasting voor de Nederlandse staat. De intrekking van zijn verblijfsvergunning is daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Uit paragraaf B7/3.1.5 van de Vc volgt dat verweerder aanneemt dat de gezinsband is verbroken als het huwelijk tussen de vreemdeling en de referent feitelijk of juridisch is verbroken. Niet in geschil is dat eiser en referente ten tijde van het bestreden besluit niet meer samenwoonden en dat hun relatie feitelijk was verbroken. Daarmee voldeed eiser niet meer aan de beperking die aan de aan hem verleende verblijfsvergunning is verbonden. Dat eiser nog altijd de hoop heeft dat de relatie zich op enig moment zal herstellen is voorstelbaar, maar maakt niet dat verweerder anders had moeten beslissen. Verweerder heeft de verblijfsvergunning terecht ingetrokken.
6. Verweerder heeft verder terecht geconcludeerd dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning niet in strijd is met zijn recht op privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser tot zijn achtendertigste levensjaar in Gambia heeft gewoond en dat hij ten tijde van het bestreden besluit nog slechts vier jaar in Nederland woonde. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser de Gambiaanse samenleving niet zodanig is ontwend dat van hem in redelijkheid niet gevergd kan worden om naar Gambia terug te keren. Van eiser mag daarom worden verwacht dat hij in zijn land van herkomst een nieuw bestaan opbouwt en zich daar staande zal houden. De rechtbank volgt eiser dan ook niet zijn stelling dat hij geen banden heeft met Gambia, en dat hem als gevolg daarvan voortgezet verblijf in Nederland moet worden toegestaan.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.