RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.8894 (beroep) en NL21.8895 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
(gemachtigde: mr. J.W. van Deel).
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot
het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling
genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige
voorziening ingesteld.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 juli 2021 met behulp van een
Skypeverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is
verschenen mr. R. Shenouda. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Egyptische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum]
1991. Uit Eurodac blijkt dat hij op 29 januari 2020 in Polen en op 6 september 2020 in
Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 22 maart 2021
heeft hij in Nederland een asielverzoek ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de
Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond
van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de
behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek op 15 april 2021 aanvaard.
3. 1 Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van Polen niet langer kan uitgaan van het
interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft als homoseksueel een kwetsbare positie in
Polen waar sprake is van een steeds openlijker en explicieter gevoerd anti-LHBT-beleid.
Eiser heeft verklaard dat hij in de opvangvoorziening door andere asielzoekers in elkaar is
geslagen nadat zij erachter kwamen dat hij homoseksueel was. De politie is naar aanleiding
van dit incident ter plaatse gekomen, maar heeft eiser niet geholpen. Hij heeft daarop de
opvang moeten verlaten. De politie heeft ook geweld tegen eiser gebruikt, hem geboeid en
tegen hem gezegd dat hij niet moet denken dat het goed zal komen met hem. Ook heeft eiser
ter zitting verklaard dat hij tijdens zijn gehoor in Polen heeft gezegd dat hij zich op dat
moment niet vrij voelde om te vertellen over zijn geaardheid, omdat de president van Polen
zelf aangeeft dat LHBT’ers niet in Polen onder hen mogen wonen. Daarop werd tegen eiser
gezegd dat hij zo niet mag praten over de president.
Eiser meent dat hij onvoldoende mogelijkheden heeft om in Polen voldoende
rechtsbescherming te krijgen, mede gelet op de zorgelijke recente omstandigheden ten
aanzien van de onafhankelijkheid van de Poolse rechters. Eiser beroept zich op de uitspraak
van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 28 april 2021. Ter nadere onderbouwing
van zijn standpunt heeft eiser ook informatie van Vluchtelingenwerk Nederland, van
4 mei 2021 overgelegd.
Oordeel rechtbank
Vaststaat dat in Polen diverse ontwikkelingen gaande zijn waaruit kan worden
opgemaakt dat er zorgen zijn (vanuit de Europese Commissie, diverse lidstaten en ook
vanuit Poolse inwoners zelf) aangaande de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
Gelet op de hervormingen die de afgelopen jaren zijn doorgevoerd en die voor de Europese
Commissie aanleiding zijn geweest om diverse EU-instrumenten in te zetten, kunnen die
zorgen ook als ernstig worden aangemerkt. De rechtbank volgt eiser dan ook in het
standpunt dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen minstens ernstig
onder druk staat. Deze vaststelling brengt echter niet met zich dat alleen hierom al
geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van een dusdanig ernstige tekortkoming in de
asielprocedure dat gevreesd moet worden dat eiser een reëel risico zal lopen op een
onmenselijke of een vernederende behandeling of dat overdracht aan Polen anderszins
uitgesloten moet worden geacht. Niet gezegd kan worden dat de situatie in Polen dusdanig
is dat iedere asielzoeker (in het bijzonder een Dublinclaimant) een reëel gevaar loopt dat
zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dat sprake is van
systeemfouten in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke
of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest. Gelet op de
uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2020 naar aanleiding van het L.M.-arrest kan in
het vreemdelingenrecht alleen in het geval van bijkomende, uitzonderlijke omstandigheden
niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank stelt echter ook vast dat verweerder de verklaringen van eiser over de problemen die hij in Polen ervaren heeft vanwege zijn homoseksuele geaardheid, niet heeft betwist. Verweerder heeft hier enkel tegenover gesteld dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo niet wordt gehaald, omdat geen sprake is van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling van iedere terugkerende LHBT’er in Polen. De rechtbank vindt deze motivering niet voldoende. Er bestaan grote zorgen over de vraag of de universele mensenrechten van leden van de LHBTI-gemeenschap in Polen nog wel worden gerespecteerd. Dit bezien in combinatie met de vaststelling dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen minstens ernstig onder druk staat, maakt dat er aanknopingspunten zijn voor de stelling dat eiser vanwege zijn seksuele geaardheid een reëel gevaar loopt dat het grondrecht op toegang tot een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en in het verlengde daarvan een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM. De onbetwiste verklaringen van eiser over de problemen die hij ervaren heeft, bieden bovendien aanknopingspunten voor de juistheid van deze stelling. Verweerder heeft dit met zijn enkele verwijzing naar de lat uit het arrest Jawo, onvoldoende onderkend.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening 6. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank al op het beroep heeft beslist. Ten aanzien van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening 7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.244,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL21.8894:
van deze uitspraak;
De voorzieningenrechter, in de zaak NL21.8895:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.244,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid
van mr. M.J.S. Kempers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
29 juli 2021
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep is beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.