ECLI:NL:RBDHA:2021:11205

ECLI:NL:RBDHA:2021:11205, Rechtbank Den Haag, 29-09-2021, NL21.7071

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-09-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL21.7071
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2022:1879
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

asielaanvraag afgewezen - bekering tot het christendom en daaruit voortkomende problemen ongeloofwaardig geacht - beroep ongegrond

Uitspraak

4. Problemen vanwege het niet praktiseren van de islam

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser ondervonden problemen vanwege het niet praktiseren van de islam onvoldoende heeft mogen achten om te spreken van vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Iran. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens zijn militaire dienst problemen heeft gehad met een leidinggevende. Hij heeft daarentegen ook verklaard dat hij een andere commandant heeft gekregen nadat hij over de problemen had geklaagd en dat de problemen toen zijn gestopt. Ook is niet gebleken dat eiser na zijn militaire dienst problemen heeft ondervonden vanwege het niet praktiseren van de islam.

5. Bekering tot het christendom

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zich heeft beperkt tot algemeenheden wat betreft de persoonlijke betekenis die de bekering voor hem zou hebben. Van eiser mag worden verwacht dat hij over de persoonlijke gevolgen van een ingrijpende gebeurtenis als een bekering uitvoeriger kan verklaren en dat hij meer inzicht kan geven in wat de bekering voor hem heeft betekend. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser in zijn verklaringen algemene elementen – zoals innerlijke rust, liefde, vrede, verlossing, barmhartigheid en vergevingsgezindheid – binnen het christelijke geloof benoemt, maar geen blijk geeft van verdieping in de kern van dit geloof.

De rechtbank volgt verweerder ook in zijn betoog dat uit de verklaringen van eiser over wanneer en hoe hij in aanraking kwam met het christendom geen eenduidig beeld naar voren komt. Eiser heeft hierover wisselend verklaard en dit niet kunnen verhelderen op het moment dat hij werd geconfronteerd met deze wisselende verklaringen. Ook heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat niet inzichtelijk is geworden waarom eiser zich juist tot het christendom heeft bekeerd. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat eiser kritisch was tegenover de islam en dat geloof nooit heeft gepraktiseerd, waardoor des te meer van eiser mag worden verwacht dat hij inzichtelijk kan maken waarom hij zich tot een ander geloof, in dit geval het christendom, heeft bekeerd.

Dat eiser enige kennis heeft van het christelijke geloof, kennis heeft van de gang van zaken in de kerk in Nederland, en dat eiser daar bijeenkomsten bezoekt, heeft verweerder onvoldoende mogen achten om de gestelde bekering geloofwaardig te achten. Ook is de rechtbank met verweerder eens dat de kennis van eiser over de Bijbel niet zonder meer leidt tot de conclusie dat er bij eiser sprake is van een diepgewortelde christelijke overtuiging. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde bekering is gebaseerd op een diepgewortelde overtuiging. Verweerder heeft de bekering tot het christendom dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

Dat verweerder niet van eiser mag verwachten dat hij zijn tatoeage verbergt, volgt de rechtbank niet. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter overweegt de rechtbank dat in dit geval van eiser verwacht mag worden dat hij zich tot het uiterste inspant om te voorkomen dat hij na terugkeer naar Iran de negatieve aandacht van de autoriteiten op zich vestigt. Dit betekent onder meer dat van hem mag worden verlangd dat hij zijn (christelijke) tatoeage bedekt houdt.

Dat verweerder de activiteiten van eiser in Nederland niet expliciet heeft opgenomen in het bestreden besluit, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak. Verweerder heeft deze activiteiten ter zitting niet ontkend, maar terecht gesteld dat de activiteiten niet zijn onderbouwd met stukken. De rechtbank volgt verweerder dat de activiteiten op zichzelf onvoldoende zijn om tot een andere conclusie over de geloofwaardigheid te komen.

6. Problemen vanwege bekering

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook de problemen vanwege de bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat eiser zijn gestelde problemen niet met documenten heeft onderbouwd, ondanks dat eiser heeft verklaard dat hij drie dagvaardingen heeft ontvangen. Verweerder heeft het opmerkelijk mogen achten dat eiser niet wist wanneer hij voor de rechter moest verschijnen en dat hij de dagvaardingen nooit zelf heeft gezien, nu de contactpersoon tussen hem en zijn zus langsging bij het ouderlijk huis (waar de dagvaardingen zouden zijn afgeleverd). De enkele stelling dat het voor eiser irrelevant was om te weten wanneer hij naar de rechtbank moest komen, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft daarnaast tegenstrijdig verklaard over het moment dat hij zijn woonplaats zou hebben verlaten en over het gestelde onderduiken. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij tot aan zijn vertrek uit Iran op hetzelfde adres heeft verbleven, in zijn ouderlijk huis. Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij twee maanden heeft ondergedoken op een – naar de rechtbank begrijpt – andere locatie waar hij geen direct contact had met zijn familie. De stelling van eiser dat hij tegenstrijdig heeft geantwoord, omdat hij de vraag niet goed begreep, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft in het aanmeldgehoor namelijk zelf aangegeven dat hij altijd op hetzelfde woonadres heeft gewoond en dat hij daar tot aan zijn vertrek uit Iran heeft verbleven.

7. Afvalligheid islam

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de afwending van de islam had moeten aanmerken als relevant element. Zoals verweerder ook ter zitting heeft betoogd, is eiser weliswaar in een islamitisch gezin opgegroeid, maar is niet gebleken dat hij praktiserend moslim was. Eiser heeft verklaard dat hij nooit in de islam heeft geloofd en dat hij dat geloof nooit heeft gepraktiseerd. Bovendien heeft verweerder de problemen die eiser in het kader van zijn gestelde afvalligheid naar voren heeft gebracht, bij de beoordeling van het relevante element ‘problemen vanwege het niet praktiseren van de islam’ betrokken. In dit licht komt eiser geen beroep toe op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 20 januari 2021.

8. 8. Vertrektermijn en inreisverbod

De rechtbank volgt eiser tot slot niet in zijn betoog dat hem ten onrechte geen vertrektermijn is gegeven en dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Eisers aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, waardoor verweerder heeft mogen bepalen dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten.Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat aan eiser toch een vertrektermijn moet worden gegeven. Gelet op het voorgaande was verweerder gehouden een inreisverbod uit te vaardigen.Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder om humanitaire of andere redenen moet afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod of de duur daarvan had moeten verkorten. Wat is de conclusie?

9. Gelet op al het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid vanmr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?