ECLI:NL:RBDHA:2021:11394

ECLI:NL:RBDHA:2021:11394, Rechtbank Den Haag, 12-10-2021, AWB - 21 _ 1391

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-10-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 21 _ 1391
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005416

Samenvatting

Parkeerbelasting: de naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Van een bestuurder van een auto mag worden verwacht dat hij, voordat hij parkeert, onderzoek doet naar de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Dat eiser het zonebord over het hoofd heeft gezien en dat hij, als hij het had geweten, niet op de locatie had geparkeerd, maakt dit niet anders.’

Uitspraak

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

12 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 19 januari 2021 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2021.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [a] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en verstaat dat verweerder het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser zal vergoeden.

Overwegingen

1. Op 22 oktober 2020 om 10:30 uur stond de auto van eiser met kenteken

[kenteken] geparkeerd aan het [locatie] te [plaats] (de locatie). Deze locatie is door burgemeester en wethouders van deze gemeente aangewezen als een parkeerplaats voor betaald parkeren. Tijdens een controle op voormelde locatie en tijdstip is geconstateerd dat er voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding van deze constatering is aan eiser een naheffingsaanslag ten bedrage van € 66,45 opgelegd, bestaande uit € 1,95 aan parkeerbelasting en € 64,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.

2. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Ten tijde van het parkeren woonde hij in het Omniversum een voorstelling bij. Aan zijn auto was op dat moment een fietsendrager bevestigd met twee fietsen. Hij heeft zijn auto expres op de locatie geparkeerd om geen hinder te veroorzaken voor automobilisten die parkeerden bij het Omniversum, waar dat op dat moment gratis was. Eiser ging ervan uit dat het parkeren op de locatie eveneens gratis was. Hij heeft geen bord “verboden parkeren” of “zone betaald parkeren” gezien, anders had hij zijn auto (gratis) bij het Omniversum geparkeerd.

4. De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd parkeren van een voertuig, dient zodanig kenbaar te zijn gemaakt dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de verschuldigdheid daarvan. Daar staat tegenover dat een parkeerder een onderzoeksplicht heeft in die zin dat hij zich, voordat hij parkeert, op de hoogte moet stellen van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften komt naar vaste jurisprudentie voor rekening en risico van de parkeerder (zie Gerechtshof Den Haag 9 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2020).

5. Verweerder heeft een plattegrond en foto’s overgelegd waarop de locatie, een parkeerautomaat en een zonebord staan aangegeven. Uit de stukken blijkt dat onder het zonebord het tijdvak van 9:00 tot 17:00 uur (maandag tot en met vrijdag) staat vermeld en dat even verderop op het [locatie] zich een parkeerautomaat bevindt. Ter zitting is vastgesteld dat eiser vanuit de [laan] het [locatie] is ingereden en daarbij een zonebord is gepasseerd. Eiser heeft hierover verklaard dat hij dit bord over het hoofd heeft gezien. Eiser is geen bord gepasseerd waarop het einde van de betaald parkeerzone stond aangegeven.

6. Verweerder heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat voldoende kenbaar is dat op de locatie sprake is van betaald parkeren. Verweerder is niet verplicht om in iedere straat een herhalingszonebord te plaatsen waaruit het daar geldende parkeerregime blijkt (zie bijvoorbeeld Gerechtshof Leeuwarden 6 april 2001, ECLI:NL:GHLEE:2001:AB0977). Het over het hoofd zien van het zonebord en de parkeerautomaat is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser moet blijven. Van een bestuurder van een auto mag immers worden verwacht dat hij, voordat hij parkeert, onderzoek doet naar de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Dat eiser het zonebord over het hoofd heeft gezien en dat hij, als hij het had geweten, niet op de locatie had geparkeerd, maakt dit niet anders. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

7. Hetgeen eiser verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

8. Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder de termijn om uitspraak op bezwaar te doen heeft overschreden, overweegt de rechtbank als volgt. Indien verweerder in gebreke blijft tijdig op een bezwaar te beslissen, is er voor eiser de mogelijkheid verweerder in gebreke te stellen en indien verweerder dan niet binnen twee weken een beslissing neemt om een dwangsom te verzoeken. De rechtbank kan aan de enkele constatering dat verweerder de termijn heeft overschreden geen consequenties verbinden.

9. Ter zitting is ter sprake gekomen dat in de uitspraak op bezwaar onder andere staat vermeld dat eiser veronderstelde dat hij zijn auto bij het Omniversum had geparkeerd. Vast staat echter dat eiser niet in de veronderstelling was dat hij zijn auto op de parkeerplaats van het Omniversum had geparkeerd. Ter zitting heeft verweerder hierin aanleiding gevonden aan te bieden het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank sluit zich hierbij aan.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

12 oktober 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.I. Batelaan-Boomsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2021/2848
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?