proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 8 februari 2021 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2021.
Eiser is verschenen. Namens verweerder is mr. [A] verschenen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Op 13 november 2020 om 10:31 uur stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd in de [straat] te [plaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders aangewezen als parkeerplaats waar op die datum en dat tijdstip slechts geparkeerd mag worden met een parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.
2. Tijdens een controle is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan en dat geen sprake was van parkeren met een geldige vergunning. Naar aanleiding hiervan is de naheffingsaanslag opgelegd van € 66,45, bestaande uit € 1,95 aan belasting en € 64,50 aan kosten naheffing.
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Specifiek in geschil is of ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen.
4. Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel d, van de Verordening parkeerbelastingen 2008 van de gemeente Den Haag wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Onder het begrip “onmiddellijk in- of uitstappen” kunnen slechts handelingen worden verstaan die een daadwerkelijk in- en uitstappen uit de auto vormen. Het gedurende enkele minuten op de parkeerplaats achterlaten van de auto kan daaronder niet worden begrepen.
5. De bewijslast dat sprake is van onmiddellijk in- of uitstappen rust op eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in deze bewijslast geslaagd. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zijn auto heeft verlaten om aan te bellen bij zijn passagier. De passagier is daarop uit haar flatgebouw naar beneden gekomen en vervolgens zijn eiser en zij samen weggereden. Anders dan eiser meent, vallen dergelijke handelingen niet onder het onmiddellijk in- of uitstappen van personen zoals bedoeld onder 4. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij de passagier niet op een andere manier had kunnen ophalen, overweegt de rechtbank dat eiser bijvoorbeeld vanuit de stilstaande auto zijn passagier had kunnen bellen of sms’en om haar te laten weten dat hij beneden klaarstond. Ook is het uiteraard mogelijk de auto voor een korte periode aan te melden.
6. Gelet op het voorgaande is de uitzondering voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van personen hier niet van toepassing en was sprake van kortdurend parkeren. Nu niet in geschil is dat voor het parkeren op die plaats en op die tijd parkeerbelasting verschuldigd is en eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.