ECLI:NL:RBDHA:2021:13707

ECLI:NL:RBDHA:2021:13707, Rechtbank Den Haag, 01-11-2021, SGR 21/2081

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-11-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer SGR 21/2081
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003245 BWBR0005537 BWBR0022762

Samenvatting

Beroep niet tijdig beslissen/ 8:54 Awb uitspraak /Toepassing van artikel 6:20, lid 4, Awb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] (Frankrijk), eiser

Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/2081

en

(gemachtigde: mr. T.G.H. Spruyt).

Procesverloop

Op 17 juni 2020 heeft eiser een klacht bij verweerder ingediend en verzocht om maatregelen tegen de Belastingdienst te nemen omdat de Belastingdienst de Algemene verordening gegevensbescherming schendt.

Op 22 december 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

Bij brief van 25 februari 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder.

Bij besluit van 8 maart 2021 heeft verweerder aan eiser een dwangsom voor het niet tijdig beslissen toegekend.

Op 25 maart 2021 heeft verweerder naar aanleiding van de klacht van eiser alsnog een besluit genomen.

Verweerder heeft op 29 maart 2021 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 mei 2021 heeft eiser aangegeven dat hij het beroep wil voortzetten tegen het besluit van 25 maart 2021.

Bij brief van 24 juni 2021 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en medegedeeld dat hij nog een verweerschrift zal indienen.

Bij brief van 26 juli 2021 heeft verweerder de rechtbank verzocht om het beroep voor zover het betrekking heeft op het besluit van 25 maart 2021, op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar verweerder te verwijzen voor behandeling als bezwaar.

Bij brief van 11 augustus 2021 heeft eiser aangegeven het niet eens te zijn met het verzoek van verweerder van 26 juli 2021. Eiser heeft de rechtbank verzocht om het beroep verder te behandelen en als derde belanghebbende bij het beroep de minister voor Rechtsbescherming en de Raad van State te betrekken.

Bij brief van 26 augustus 2021 heeft de rechtbank eiser medegedeeld dat het Ministerie van Financiën vooralsnog niet als belanghebbende bij deze procedure wordt betrokken en dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het verzoek van eiser om de minister voor Rechtsbescherming en de Raad van State als belanghebbende bij deze procedure te betrekken, in te willigen.

Bij brief van 13 september 2021 heeft eiser de volledige rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht en alle rechters die daar werkzaam zijn, gewraakt.

Bij beslissing van 29 september 2021 heeft de Wrakingskamer van rechtbank Den Haag het wrakingsverzoek van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

De bestuursrechter heeft de behandeling van het beroep voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Overwegingen

1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.

2. Verweerder heeft tijdens de beroepsprocedure alsnog een besluit op de klacht van 17 juni 2020 genomen en aan eiser (bij separaat besluit) de maximale dwangsom voor niet tijdig beslissen toegekend. Hierdoor is het belang van eiser bij een uitspraak op het beroep niet tijdig beslissen komen te ontvallen. Het beroep niet tijdig beslissen is wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk.

3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 25 maart 2021. Op grond van het vierde lid van artikel 6:20 van de Awb kan de rechtbank het beroep dat tegen het besluit van 25 maart 2021 is gericht, verwijzen naar verweerder, omdat het besluit van 25 maart 2021 een primair besluit is waartegen een bezwaarschrift kon worden ingediend. De rechtbank maakt doorgaans gebruik van de haar op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegdheid, omdat het voeren van een bezwaarschriftprocedure tegen een (reëel) primair besluit het uitgangspunt van de Awb is. De rechtbank ziet ook in deze zaak aanleiding om dit artikellid toe te passen, nu de inhoudelijke standpunten van de partijen nog onvoldoende tussen de partijen zijn besproken en verweerder naar aanleiding van de beroepsgronden, die eiser tegen het besluit van 25 maart 2021 heeft ingediend, heeft aangegeven meerwaarde in een bezwaarschriftprocedure te zien. Eiser heeft geen geldige reden, anders dan dat hij verweerder wantrouwt, aangevoerd waarom de bezwaarschriftprocedure tegen het besluit van 25 maart 2021 zou moeten worden overgeslagen.

4. Gezien het vorenstaande zal de rechtbank het beroepschrift, voor zover het tegen het besluit van 25 maart 2021 is gericht, dan ook in lijn met het voornoemde uitgangspunt als bezwaarschrift doorzenden aan verweerder ingevolge artikel 6:15 van de Awb. Nu dit beroepschrift reeds in bezit is van verweerder zal de rechtbank dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling. De rechtbank wijst er voor de volledigheid op dat tegen deze doorzending geen rechtsmiddel kan worden aangewend zodat daartegen niet kan worden opgekomen in verzet.

4. Omdat eiser, zoals verweerder ook heeft erkend, terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de klacht van 17 juni 2020, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verwijst het beroep tegen het besluit van 25 maart 2021 naar verweerder ter behandeling

als bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2021.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. drs. D. Biever

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?