ECLI:NL:RBDHA:2021:13718

ECLI:NL:RBDHA:2021:13718, Rechtbank Den Haag, 02-12-2021, NL21.17894

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL21.17894
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2021:2985
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823

Samenvatting

art. 6 Vw. Zicht op uitzetting naar Marokko. Ongegond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.17894

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2021 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 23 november 2021 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 23 november 2021 op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 26 november 2021 gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko aanwezig is, omdat het Marokkaanse luchtruim vanwege de coronapandemie is gesloten.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er wel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is naar Marokko, omdat de sluiting van het Marokkaanse luchtruim slechts een tijdelijke belemmering is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 29 april 2020 overwogen dat de omstandigheid dat Marokko op dat moment het luchtruim had gesloten wegens de uitbraak van het coronavirus, was aan te merken als een tijdelijke belemmering. Weliswaar was niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dat moment kon nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn, dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kon plaatsvinden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de huidige sluiting van het luchtruim door Marokko (opnieuw) aan te merken als een tijdelijke belemmering. De rechtbank vindt hiervoor aansluiting bij de hiervoor genoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Hoewel ook nu, net zoals ten tijde van die uitspraak, niet valt uit te sluiten dat de sluiting van het luchtruim nog enige tijd zal voortduren, kan op dit moment nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn, dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. Uit de uitspraak volgt ook dat als de situatie voortduurt zonder dat er enig vooruitzicht komt op beëindiging daarvan, dit alsnog gevolgen kan hebben voor het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Daarvan is nu echter nog niet gebleken. Dit geldt te meer nu de situatie met betrekking tot de openstelling van luchtruimen telkens verandert.

Gelet op het voorgaande, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie zonder zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E.J. Valk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?