Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2021/83
zaak-/rekestnummer: C/09/621569 / KG RK 21-1431
Beslissing van 20 december 2021
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.J.L. van der Waals,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Belanghebbenden in deze procedure zijn:
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 29 november 2021 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de brief van mr. De Groot van 6 december 2021;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 7 december 2021.
Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. De rechter en de belanghebbenden hebben laten weten niet te zullen verschijnen.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 20/5316 tussen verzoeker en de burgemeester van Den Haag als verweerder. Opera I B.V., Opera II B.V. en [belanghebbende sub 3] nemen in dat geding deel als derde-partij. Die zaak betreft het beroep dat verzoeker heeft aangetekend tegen een besluit tot het verlenen van nachtontheffingen aan de ondernemer van Zalencentra Opera I en II. Verzoeker heeft daarbij verzocht om een getuige op te roepen. Op 29 november 2021 heeft in die zaak een zitting plaatsgevonden. Nadat de rechter ter zitting heeft meegedeeld dat zij eerst de inhoud van de zaak wilde bespreken en daarna het verzoek tot het oproepen van een getuige, heeft verzoeker aangegeven dat hij wenste dat er eerst een beslissing zou worden genomen op dat laatstgenoemde verzoek alvorens op de inhoud in te gaan. De rechter heeft vervolgens, na partijen over dit verzoek gehoord te hebben en na een schorsing van de mondelinge behandeling, te kennen gegeven dat zij op dat moment geen aanleiding zag de door verzoeker genoemde getuige te horen.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Het verzoek om de getuige te horen is een keurig, goed gemotiveerd en op tijd ingediend verzoek, dat ter zitting van 29 november 2021 opnieuw gemotiveerd is. De ondertekening van het besluit is heel raar gegaan en de getuige – die het besluit als waarnemend burgemeester heeft getekend – kan duidelijkheid verschaffen over wat er is gebeurd. Als alle argumenten in aanmerking zouden zijn genomen, dan had dit verzoek moeten worden toegewezen. Als de rechter het verzoek desondanks niet honoreert en het kennelijk niet belangrijk vindt om de getuige te horen, dan moet er sprake zijn van vooringenomenheid, aldus verzoeker.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
De wrakingskamer overweegt dat verzoeker geen bezwaren naar voren heeft gebracht ten aanzien van de motivering van de beslissing, maar dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de rechter zijn verzoek tot het horen van een getuige niet had kunnen afwijzen, gezien de daarvoor aangevoerde argumenten. Verzoeker vindt de rechter dus vooringenomen omdat zij een – naar zijn mening – onjuiste beslissing heeft genomen. Dit betreft – anders dan verzoeker meent – een processuele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een dergelijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de procedurele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Het wrakingsverzoek is daarom niet toewijsbaar.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• verzoeker;
• de belanghebbenden;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.W.E. de Ruiter, E.A.W. Schippers en J. Brandt in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.E. Scheers en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.